Geschiedenis van Nederland

Om het huidige Wetboek van Strafrecht te kunnen duiden is inzicht in het ontstaan van ons land nodig. In zeer grote stappen volgt een beschrijving van onze geschiedenis.

Het begin.
Op het grondgebied van wat wij thans als Nederland beschouwen woonden Germaanse stammen. De Romeinen probeerden rond de start van onze jaartelling deze gebieden te veroveren, maar stuitten op weerstand van daar wonende Germaanse stammen. Deze stammen werden door de Romein Tacticus (100 na Chr.) Frissii (Friezen) genoemd. Deze stammen werden geroemd, wegens hun verzet tegen de overheersing van Rome.
Op den duur kwamen andere stammen naar Nederland, zoals de Bataven, de Saksen, de Franken. Er was lange tijd strijd tussen de stammen, met name tussen de Friezen, die in het noorden en midden van Nederland verbleven, en de Franken, die met name in het zuiden van Nederland verbleven.

Voor wat betreft wetgeving gold in deze periode dat de Romeinse keizer Justianus als wetgever van Europa kan worden geduid. Zijn Codex Justianus, een verzameling Romeinse rechtsregels, uit 529 is het voorbeeld van koning Frederik de Grote van Pruisen, van Napoleon, van Bischmarck.

Frankische rijk.
De Franken kregen de overhand in ‘Nederland’. Het Frankische rijk zorgde voor structuur. De Frankische vorst Karel de Grote (vanaf 768) vergaarde bijvoorbeeld de rechts­gebruiken van de Germaanse stammen uit zijn rijk en legde deze vast in rechtsboeken. Dit leidde tot een centralisering van wetgeving. Zo legde hij de wetten van de Saksen en Friezen vast, en vulde hij het wetboek van de Franken aan (welke reeds 300 jaar eerder was opgemaakt in de Lex Salica). De door hemzelf opgestelde regels (hij zou per­soonlijk 1.075 wetten hebben uitgevaardigd) werden vastgelegd in zogeheten capitularia.
De rechtsbevoegdheid in het Frankische rijk was verdeeld: de keizer regeerde over zijn onderdanen, met uitzon­dering van kerkelijke aangelegenheden, dat viel onder het canoniek (kerkelijk) recht. Onder Karel de Grote werd de rechtszitting, het ding (hetgeen de term kort geding verklaard), gestroomlijnd. Het ding werd door de vorst, de graaf, de plaatsvervanger of de schout voorgezeten en de beslissing werd bekrachtigd door een groepje van circa zeven wijze mannen (de scabini of schepenen geheten). Voorheen moesten alle vrije mannen van de streek het vonnis bekrachtigen, hetgeen een verre van efficiënte afdoening oplever­de.
Bewijsvoering was in deze periode nog niet geheel uitgekristalliseerd. Kwam men niet uit de schuldvraag, dan kon men kiezen voor het tweegevecht (“het recht van de sterkste”) of het godsoordeel (“in god we trust”), om vast te stellen wie gelijk had. Een voorbeeld van een godsoordeel was iemand met een gloeiende ijzeren staaf branden. Genas hij op tijd, dan was hij onschuldig. Immers, God helpt de onschuldige, zo was de gedachte.
Er waren in deze periode twee vormen van boetes: het weergeld en het vredegeld. Het weergeld was de schadevergoeding voor de benadeelde. Hiermee werd bloedwraak voorkomen. Het vrede­geld was een vergoeding voor de overheid (zijnde de koning).

De gewesten.
Na het uiteenvallen het Roomse Rijk onder Karel de Grote begonnen gebieden zelf machts­concentraties te worden:
Vlaanderen vormde het grootste deel van het huidige België en liep tot en met Roer­mond.
Utrecht stond onder gezag van bisschop Ansfried en omvatte grootte delen van het huidige Nederland (van Groningen tot Zuid-Holland), maar niet lang erna weekte Drenthe, Groningen en de ommelanden en Oversticht (Overrijssel) zich los van Utrecht.
Het graafschap Holland omvatte Holland, Zeeland en West-Friesland (huidige Noord-Holland).
Friesland was inmiddels sterk ingeperkt door de opkomst van de andere gebieden.
Gelre (Gelderland) was een hertogendom (de andere gewesten waren graven) en omvatte van oudsher het land tussen Rijn en Maas (Venlo).
Brabant was een generalisteitsland en werd gevormd door grond gelegen in zowel de Noordelijke als Zuidelijke Nederlanden .
De overige gebieden werden gevormd door hertogdommen, graafschappen. Er waren honderden zelfstandige gebiedjes met elk eigen bestuur en rechtspraak. Zij stonden onder bestuur van de keizer, maar hadden grote mate van vrijheid.

De middeleeuwen.
Wat volgde waren eeuwen van watersnood, pest en partijstrijd (1270-1450). Dit veranderde toen het Bourgondische bewind de teugels grepen. Er kwam centraal gezag. Zo riep Filips III van Bourgondië in 1464 de Staten (de 17 Bourgondische landsdelen in de Lage Landen) voor het eerst bijeen. Hiermee werd de basis van de huidige Staten-Generaal gelegd.
De zaken veranderen als Karel de Stoute overlijdt en in 1477 diens dochter Maria van Bourgondië trouwt met keizer Maximilaan I. De (Nederlandse) afgevaardigden wilden Maria van Bourgondië pas als erfgename erkennen, nadat zij privileges hadden afgedwongen, zoals het recht om als Staten-Generaal te vergaderen waar en wanneer zij dat wilden. Dit staat bekend als het ‘Groot Privilege’.

De republiek der zeven verenigde Nederlanden.
Karel V werd in 1543 heerser over de Zeventien Nederlanden, na het bedwingen van het hertog­dom Gelre. In 1548 bepaalde Karel V dat de Nederlanden tezamen de Bourgon­dische Kreits (kring) zouden vormen, waardoor zij vrij zouden zijn van keizerlijke rechtspraak en van de financiële verplichtingen jegens het Duitse Rijk.
De zoon van Karel V, Filip II, nam de macht over, maar er ontstond al snel spanning in de Nederlanden. Hoewel de macht lag bij de Staten-Generaal, had Filip II ervoor gezorgd dat dit college niets had in te brengen. Er ontstond een opstand. De dood van Egmond en van Hoorne zorgde voor de benoeming van een nieuwe (opstands)leider, Willem van Oranje, vader des vaderlands. Spanje zond Alva, die in 1567 met 16.000 man de Nederlanden binnen trok. Wat volgde is een bloederige geschiedenis.
Op 26 juli 1581 wordt de Akte van Verlatinghe uitgevaardigd. Doel was de Zeventien Provin­ciën in zijn geheel af te scheiden van de Spaanse troon, maar het feitelijke gevolg was dat de afscheiding van de noordelijke provinciën van de Spaanse Nederlanden ook de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden inhield. De Republiek der Verenigde Provinciën was geboren.
In 1648 volgt de Vrede van Munster: er wordt vrede gesloten tussen Spanje en de Republiek der Verenigde Provinciën. De Tachtigjarige Oorlog komt ten einde en de Republiek der zeven verenigde Nederlanden6 wordt als soevereine staat erkend.

De rust was van korte duur. In het binnenland ontstond een stadhouderloos tijdperk waar­door de spanningen tussen de staatsgezinden en de orangisten toenamen. Daarnaast waren er ook nog de Engelse Oorlogen, welke begonnen in 1652.
Daar bleef het niet bij. Het jaar 1672 zal altijd bekend blijven als het Rampjaar, gekenmerkt door het Nederlands gezegde: "Het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos." Dit was het jaar van de Hollandse Oorlog, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen.
Bataafse Republiek.
Hoewel de republiek zelfstandig was, gold dat niet voor de Zuidelijke Nederlanden en dat is van belang voor wat gaat komen.
In 1700 stierf Karel II en hij liet de gehele Spaanse monarchie na aan Filips van Anjou (de kleinzoon van Lodewijk XIV). Hierdoor werden de Zuidelijke Nederlanden Frans bezit. De Fransen trokken in 1702 de (voorheen Oostenrijkse) Zuidelijke Nederlanden binnen.
Het duurde tot 1795 voordat Frankrijk de Zeven Verenigde Nederlanden binnenviel. Daar­mee kwam op dat moment ook een einde aan de Staten-Generaal als vergadering van de Republiek der zeven Verenigde Provincies.

Het land werd omgedoopt tot de Bataafse republiek, daarna tot het Koninkrijk Nederland. Het was van 1795 tot 1810 een vazalstaat van Frankrijk. Van 1810 tot 1813 werden de Noorde­lijke Nederlanden ingelijfd bij het Franse rijk.
Dit is waar de impact voor het Wetboek van Strafrecht van belang is. De Fransen hervormden in rap tempo Nederland. Zo werd het Kadaster opgericht en een bevolkingsregister ingesteld. Voor dit laatste kreeg iedereen een achternaam. Velen dachten dat dit niet stand zou houden en verzonnen protestnamen als Naaktgeboren, Vrijman, Zondergeld, God, Stuiver. Anderen kozen namen naar een beroep, zoals Regter, Bakker, Slager, Slachter. Namen die tot de dag van vandaag nog steeds bestaan.
De Fransen voerden ook het wetboek in. In de Staatsregeling van 1798 werd besloten dat een strafwetboek moest worden opgemaakt. Het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland werd in 1809 ingevoerd door Koning Lodewijk Napoleon. Het Crimineel Wetboek wordt gezien als de eerste centrale codificatie van het strafrecht in Nederland.
Het Crimineel Wetboek kende een kort leven omdat ons Koninkrijk werd ingelijfd door het Eerste Franse Keizerrijk. Het werd vervangen in 1811 door de Code Pénal, dit was het Franse wetboek dat net in 1810 was ingevoerd.
Ook reorganiseerde Napoleon de rechterlijke macht: hij zorgde voor invoering van de kantongerechten, de arrondissementsrechtbanken en de gerechtshoven. De term arrondissementsrechtbank en arrondissementsparket bestaan heden ten dage nog steeds. Het vloeit voort uit het Franse begrip arrondissement, waarmee een bestuurlijk gebied wordt bedoeld (vergelijkbaar met onze provincie).

Groot-Nederland.
Doordat Napoleon in 1812 in Rusland een nederlaag had geleden en daarbij 15.000 Neder­landers waren omgekomen kwam de bevolking in verzet. Dit verzet werd pas een opstand toen de Franssen een verplichte dienstplicht wilden invoeren in 1813 en men 40.000 paarden van Nederland wilden. De opstand duurde niet lang, de rol van Napoleon’s Frankrijk was ten einde.
Willem I wordt gekroond tot koning van Groot-Nederland, bestaande uit Nederland, België en Luxemburg. Het land werd erkend door de grotere buurlanden omdat na het verslaan van Napoleon in 1815 het gewenst werd geacht een groot bufferland te hebben tussen Engeland, Pruisen (het latere Duitsland en Polen) en Frankrijk.
Ondanks de opstand en het zelfstandig als Koninkrijk verder gaan, is de Code Pènal, het Franse wetboek van strafrecht, van toepassing gebleven tot 1886, toen het ‘huidige’ wet­boek werd gevoerd.
Hoewel dit koninkrijk formeel bestond van 1815 tot 1839, scheidde België zich in 1830 af van Nederland na de septemberrevolutie. Een deel van het Groothertogdom Luxemburg ging verder als zelfstandige staat in een personele unie met Nederland (tot 1890).
Blijft over het huidige Nederland, het Koninkrijk der Nederlanden.

Een verdieping in de wetsgeschiedenis.
In de memorie van toelichting van het wetboek van strafrecht wordt uitgebreid stilgestaan bij het verleden van het wetboek. Een verdieping.

“Slechts eenmaal en gedurende niet langer dan ongeveer twee jaren mogt Nederland zich verheugen in het bezit van een algemeen Nederlandsch wetboek van strafregt.

Het Crimineel Wetboek voor het koningrijk Holland bekwam kracht van wet den eersten Februarij 1809 om te blijven gelden tot de invoering van de Fransche wetboeken in de eerste maanden van 1811.
Na het herstel van Nederlands onafhankelijkheid was een der eerste maatregelen van den Souvereinen Vorst, bij besluit van 11 December 1813 (Staatsblad n°. 10), met belangrijke wijzigingen in het strafstelsel van den Code Pénal, dezen (…) te handhaven. Art. 100 der grondwet voor de vereenigde Nederlanden van den 29sten Maart 1814 schreef nu voor dat er zou worden ingevoerd - onder meer - »een algemeen wetboek van lijfstraffelijk regt." Dit voorschrift ging in 1815 over in art. 163 van de grondwet des koningrijks en bleef onveranderd bij hare herziening in 1840 (art. 161), terwijl bij de herziening (art. 146) wel niet meer werd voorgeschreven, dat een algemeen wetboek van lijfstraffelijk regt zou worden ingevoerd, maar gebiedend werd bepaald »er is een algemeen wetboek van strafregt." (..) Genoeg is het, het treurige feit te vermelden, dat de grondwettige belofte van 1814 nog steeds onvervuld is, tot nadeel van het algemeen volksbelang, tot oneer van Nederland. De grondwet vordert eene nationale codificatie, ook van het strafregt. Wat in Nederland als strafregt geldt, voldoet in geen opzigt aan die vordering. Het is noch nationaal, noch eene codificatie. De Fransche Code werd eens bij de inlijving in het Fransche keizerrijk opgedrongen om in de plaats te treden van een voor zijnen tijd uitmuntend wetboek. Geschreven in eene vreemde taal, was bij tevens een uitvloeisel van vreemde denkbeelden, toestanden en instellingen. (..)

De vraag is echter, welken weg men heeft in te slaan bij de zamenstelling van een nieuw wetboek. Zal dit wetboek zijn eene herziening van den Code Pénal van 1810 zooals de Belgische Code van 1867? Of zal men zich zoo naauw mogelijk hebben aan te sluiten bij het laatste volledige ontwerp van een Nederlandsch wetboek van strafregt waarvan het eerste boek reeds in 1847 werd aangenomen? (…) Eene revisie van den Code Pénal kan niemand wenschen. Wij moeten met het Fransche strafwetboek, in zoover het nog bij ons geldt - en dit is met het algemeene deel voor verreweg het grootste gedeelte het geval niet - voor goed breken. Daarmede is niet gezegd dat niet enkele goede bepalingen en juiste omschrijvingen ook nu nog aan dit wetboek kunnen worden ontleend, maar wel dat men op de grondslagen van dit wetboek nu en in Nederland niet meer kan voortbouwen. (..) De onregtvaardige gelijkstelling van pogingen volbragte daad en van daders en medepligtigen, de sedert lang veroordeelde Fransche leer over herhaling van misdrijf, de onvoldoende voorschriften over de ontoerekenbaarheid en het geheel ontbreken van de noodige bepalingen over de heerschappij van de strafwet, den samenloop en het verval van strafvordering en straf, de ongelijke maat waarmede de Code meet waar hij schier alle misdrijven tegen het staatsorganisme en het staatsgezag niet ongeregtvaarligd zware, de misdrijven tegen bijzondere personen niet zelden met betrekkelijk veel te geringe straffen bedreigt, dit alles en veel meer toont aan dat een nieuw Nederlandsch wetboek meer moet zijn dan eene revisie van den Code Pénal op meer of minder ruime schaal.

Meer dan dertig jaren zijn voorbijgegaan sedert het laatste volledige ontwerp aan de Staten-Generaal werd aangeboden en gedeeltelijk door de vaststelling van een - echter niet als wet afgekondigd - eerste boek werd aangenomen. Dit ontwerp heeft vele onmiskenbare verdiensten. In vorm en inhoud onderscheidt het zich in menig opzigt : gunstig van den Code Pénal. Het algemeene deel, in het aangenomen eerste boek te zamen gevat, is niet alleen veel vollediger dan de inleidende bepalingen en de twee eerste boeken van het fransche wetboek, maar kan ook, wat innerlijke waarde betreft, veilig den toets doorstaan met andere wetboeken en ontwerpen van dien tijd. (…) Toch kon liet ontwerp van 1847 niet zijn de onmiddellijke bron, de grondslag, het voorbeeld van den wetgevenden arbeid die in 1870 der Vertegenwoordiging wordt aangeboden. (…) Wat in 1847 goed en bruikbaar was kan thans, zoo wij in Nederland gelijken tred willen bonden met andere beschaafde natiën, niet meer dienen als model. (…) Om deze redenen moet op dit oogenblik de strafwetgever, hoezer zijne taak daardoor ook worde verzwaard, zelfstandig zijnen weg kiezen, het goede overnemende waar hij dit vindt hetzij in het geldende strafregt, hetzij in de vele ontwerpen die elkander van 1814 tot 1859 hebben opgevolgd, zonder een der volledige of onvolledige ontwerpen als model te volgen. Evenmin of veel minder nog kan er spraak van zijn eenig vreemd wetboek als grondslag van het nederlandsche aan te nemen”.