Onvolkomenheden in het wetboek van strafrecht

Inleiding.
Het streven in deze serie is het weglaten van de eigen mening, daar het gaat om de mening van de wetgever en daaraan verbonden instanties (zoals de Raad van State). Dat gezegd hebbende, tijdens het schrijven van dit boekwerk vallen bepaalde onduidelijkheden op, in taal, in logica, in consistentie. Dit terwijl een artikel duidelijk dient te zijn.
Nu zag de wetgever het belang van taal in en is professor De Vries ingeschakeld om het in te voeren wetboek te voorzien van taalkundige opmerkingen. Hiervan is veelvuldig gebruikt gemaakt en blijkens de werken van mr. Schmidt heeft de wetgever zich vaak laten leiden door de opmerkingen van de taalkundige.
Het heeft er de schijn van dat de wetswijzigingen na 1886 niet door een taalkundige, maar alleen door wetgevingsjuristen worden voorbereid. Dit levert soms gebreken op waar in deze paragraaf nader op wordt ingegaan.
Voormelde gezegd hebbende, het is zeer belangrijk te onderkennen dat een taalkundige duiding van een bestanddeel in een artikel nog niet eenzelfde juridische duiding hoeft te hebben. Het wetboek is geen woordenboek. Soms zijn juridische begrippen niet hetzelfde als de taalkundige tegenhanger ervan, zoals ook de wetgever onderkent: “In wetsvoorstel 3030 werd voorgesteld dit bestanddeel te vervangen door ‘wederrechtelijke bekendmaking’. “Tegen de term ‘schenden’ worden twee bezwaren aangevoerd. Het eerste is, dan dit woord, al heeft het een ongunstige klank, volgens Van Dale onder andere de betekenis heeft van ‘verbreken’. Onder deze betekenis zou mede begrepen kunnen worden het doen van mededelingen in de vervulling van een ambtelijke plicht, een niet strafwaardige gedraging, welke het wetsontwerp juist buiten de grenzen van de delicts­omschrijving wil brengen. De ondergetekende kan dit bezwaar niet delen. Immers, nog daargelaten of een in het Groot Woordenboek der Nederlandse taal vermelde betekenis van een in een wettekst gebezigd begrip voor de interpretatie van de wet nog relevant is, nadat de wetgever in parlementaire stukken duidelijk heeft laten blijken welke betekenis hij aan dat begrip heeft toegekend, ook het woord ‘verbreken’ heeft naar het oordeel van de onder­getekende een minder gunstige klank. Verbreken toch doet denken aan het toebrengen van een beschadiging aan iets wat ongerept had moeten blijven. Ook hieraan verwante woorden als echtbreuk, bankbreuk en diefstal door middel van braak hebben een pejoratieve zin.”
Daarnaast speelt ook de zeitgeist een rol bij uitleg van bestanddelen zoals blijkt uit het volgende voorbeeld: Hoewel in “de memorie van toelichting op artikel 273 Sr. slechts gedacht aan een contractuele verhouding tussen degene die een bedrijfsgeheim bekend maakt en de onderneming die daardoor wordt benadeeld; maar de tekst van de wet houdt zulk een beperking niet in. De wet eist niet meer dan dat de dader «werkzaam is of geweest is» bij de betrokken onderneming. Daaronder valt mede te begrijpen het geval, dat de drager van het geheim aan deze onderneming is ‘uitgeleend’. De beperkter bewoordingen van de memorie van toelichting, ruim tachtig jaar geleden onder geheel andere omstandigheden geschreven, dwingen niet tot een uitleg van het artikel die de tekst ervan vernauwt en niet beantwoord aan de vormen waarin het bedrijfsleven heden ten dage functioneert."

Voormelde voorbehouden gemaakt hebbende zal hierna per artikel de bezwaren opgesomd worden. Een korte opmerking voordat de artikelen beschreven worden. De wetgever is niet altijd even consistent in het gebruik van begrippen. Zo is er verschil in de wettekst van artikel 139e Sr dat uitgaat van "aan een ander bekend maakt", terwijl de artikelen 273a, 273c en 273d Sr uitgaan van "aan een ander bekendmaakt". Dit inconsistent opnemen van verschil­lende schrijfwijzen voor eenzelfde bestanddeel heeft een vervelend gevolg in het digitale tijdperk. Degene die zoekt onder ‘bekend maakt’ zal de andere drie artikelen niet vinden. En zoek je onder ‘bekendmaakt’, dan vindt je het eerste artikel niet. Het kleine verschil van wel of geen spatie kan dus een geheel ander zoekresultaat opleveren.
Zo ook de duiding van 1e in artikel 438 Sr. Dit is inconsistent omdat in 180 andere vermel­dingen in het wetboek het gaat om 1°. Waarom een wetswijziging doorvoeren waarbij niet gekeken wordt hoe deze zich verhoudt met het reeds bestaande wetboek? Is dat slordigheid, laksheid, of is er een specifieke reden die niet nader in de memorie van toelichting geduid is?

Artikel 2 Sr
In 1973 wordt in artikel 2 Sr het begrip «binnen het rijk in Europa» gewijzigd in «in Neder­land». Aanleiding hiervoor was het in het wetboek van strafrecht door elkaar gebruiken van de begrippen «Rijk in Europa», «Rijk» en «Nederland», waarmee wel steeds hetzelfde werd bedoeld. “Ter handhaving van de eenheid van terminologie in Titel I van het Eerste Boek wordt voorgesteld ook in de overige onderdelen van artikel 4, alsmede in de artikelen 2, 3, 5, 6 en 7 de woorden 'Rijk in Europa' te vervangen door 'Nederland'. De ondergetekenden hebben ervan afgezien elders in het wetboek deze terminologie te unificeren, omdat dit ertoe zou leiden dat grote delen van het wetboek opnieuw gedrukt zouden moeten worden, waardoor gebruikers van tekstuitgaven op kosten zouden worden gejaagd, zonder dat daartoe een dringende noodzaak bestaat”.
Nu is dit laatste lovenswaardig, maar inmiddels zijn we ruim veertig jaar verder en nog steeds komen de verschillende begrippen voor. De duiding «Rijk in Europa» komt nog voor in de artikelen 22a, 53, 54, 220, 222, 278, 326b, 418 en 419 Sr, terwijl de duiding «Rijk» nog voorkomt in de artikelen 93 en 203 Sr. Tijd voor eenduidigheid?

Artikel 38 Sr
Een bijzonder merkwaardige fout zit in artikel 38 Sr. Merkwaardig, omdat een wetswijziging door tal van personen gezien wordt voordat deze goedgekeurd wordt. Wat is hier de fout?
Dit artikel heeft tweemaal een vijfde lid, met elk andere wettekst. Deze fout is inmiddels ontdekt en zal worden hersteld in 2018.

Artikel 46 Sr
Dit artikel bevat nog als enige artikel de term «informatie». Alle andere artikelen die betrek­king hadden op «informatie» zijn overgegaan op de term «gegevens». Dit is van belang omdat de wetgever aan het begrip «gegevens» niet dezelfde uitleg geeft als aan «informatie» (zie ook artikel 80quinquis Sr). Aanpassing van het bestanddeel lijkt wenselijk.

Artikel 92 Sr
Dit artikel beschermt het staatshoofd. Opmerkelijk in deze is dat de Raad van State niet beschermd wordt. De toelichting over het niet beschermen van de Raad van State is dat deze een administratieve rechtsmacht heeft en als zodanig geen zelfstandig gezag uitoefent; ”de ratio voor een jus speciale bestaat dus ten hunnen aanzien niet. Intusschen worden zo door het jus commune voldoende beschermd."
Maar de de Raad van State heeft meer taken, zoals die van artikel 38 Grondwet: “Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.”
Dus in dit uitzonderlijke geval vervult de Raad van State de rol van staatshoofd, maar een aanslag op de Raad van State is in die situatie geen schending van artikel 92 Sr?

Overigens is er wel bescherming voor het verstoren van een vergadering van de regerings­raad (de raad van state) middels artikel 95 Sr en kan, als de aanslag op de raad gericht is, ook artikel 94 Sr van toepassing zijn. Maar voormelde artikelen hebben niet de levens­lange gevangenisstraf als strafmodaliteit, artikel 92 Sr wel.
Strafbaarstelling op grond van artikel 92 Sr zou tot complicaties kunnen leiden inzake de bewijsvoering. Een aanslag op koning of regent is duidelijk: het is gericht op een persoon. Een aanslag op een entiteit (in de zin van artikel 94 of 95 Sr) is ook duidelijk. Maar een aanslag op een entiteit in de zin van artikel 92 Sr? Wanneer is een aanslag op de raad van state een aanslag op het staatshoofd? Als de gehele vergadering wordt uitgeschakeld is het duidelijk, maar wat als één of twee leden worden uitgeschakeld? Kan men dan niet verder zonder deze personen, of deze vervangen, zodat nog steeds sprake van een functionerend staatshoofd? En als dat het geval is, hoezo is dan sprake van een (effectieve) aanslag op het staatshoofd?

Artikel 99 Sr
Dit betreft de strafbaarstelling van het opzettelijk voeren van nadelige onderhandelingen. Zoals in “Het wetboek van strafrecht verklaard” door mr. T.Y. Noyon is opgenomen: “De opdracht moet gedaan zijn van regeringswege. Het gebruik van de laatste woorden is niet volkomen correct, en geeft aanleiding tot de vraag of een rechtstreekse opdracht van de regering wel in de termen van het artikel valt. Strikt genomen is ‘van regeringswege’ namens de regering; de bedoeling is echter natuurlijk ook opdrachten door de regering rechtstreeks gedaan in de strafbepaling te begrijpen.”
Nu is het artikel taalkundig aangepast (regeeringswijze is sindsdien een ‘e’ armer), edoch voormelde probleem is niet opgelost.

Artikel 104 Sr
Dit betreft de strafbaarstelling van de «verspieder». Nu gaat het mij hier niet zozeer om de term verspieder, hoewel spion heden ten dage een betere duiding heeft, maar om de formulering «een verspieder van de vijand». Oorspronkelijk betrof het «een verspieder van de vijand». Het probleem bij deze formulering is, zoals werd opgemerkt in het Verslag van de Tweede Kamer: ”een verspieder van den vijand zou kunnen betekenen: iemand die den vijand bespiedt.” Daarop heeft de regering de tekst gewijzigd in «een verspieder des vijands». Echter bij de taalkundige aanpassing in 1984 is dit (weer) gewijzigd in «een verspieder van de vijand», daarmee bevat de wettekst wederom beide mogelijkheden. Nu zal de rechter deze foutieve lezing wel voorkomen, maar een wettekst behoort uit zichzelf duidelijk te zijn en dat is deze tekst thans niet.

Een tweede punt bij dit artikel is het gebruik van de term «krijgsman» (zoals ook in de artikelen 203 en 439 Sr) en in het verlengde daarvan «krijgslieden» (artikel 204 Sr).
Het meest in het oog springend is dat deze term (taalkundig) de krijgsvrouwen uitsluit. Natuurlijk is dit een voorbeeld waar juridisch bezien de «krijgsman» ook de «krijgsvrouw» omvat. Maar ‘mooi’ is het niet. Het gebruik van de term «krijgsman» doet geen recht aan de vele vrouwen in de krijgsmacht.
Daarnaast is de term krijgsman/krijgslieden gedateerd. Reeds in 1950 is bij de vaststelling van het vierde boek van het Burgerlijk Wetboek ervoor gekozen om de term «krijgslieden» te vervangen voor «militairen». Nu stelt ook de wetgever: “Hoewel een term uiteraard niet noodzakelijkerwijze in het burgerlijk recht dezelfde betekenis behoeft te hebben als in het strafrecht.”
Maar is in het strafrecht de «krijgsman» niet gelijk aan de militair? Een duiding van krijgslieden die heden ten dage veel gebruikt wordt. In 1954 stelde nog de wetgever dat reserve-veldpredikers burgerambtenaren in tijdelijke dienst zijn en daarom geen militairen. "Zij zijn geen militairen, dus vallen niet onder het begrip: "Krijgslieden in werkelijken dienst", waarvan art. 99 der Grondwet spreekt.”8 Waarom moest men in werkelijke dienst zijn? Omdat blijkens de Regeling van de dienst­plichtigheid bij de militie en bij de schutterij het ook mogelijk was dat sprake was van “vrijwillig dienende krijgslieden.”9 Kortom, krijgsmannen konden in dienst zijn, maar ook vrijwilligers konden krijgslieden zijn. Heden ten dage is dit niet anders voor militairen. Hieronder worden volgens artikel 60 van het Wetboek van Militair Strafrecht verstaan:
“1°. zij wier vrijwillig dienstverband bij de krijgsmacht tot doorlopende werkelijke dienst verplicht, tijdens de gehele duur van dat dienstverband;
2°. alle andere vrijwilligers bij de krijgsmacht en de dienstplichtigen, zo vaak en zolang zij in werkelijke dienst zijn, alsmede wanneer zij buiten werkelijke dienst in het tijdvak gedurende hetwelk zij voor die dienst kunnen worden opgeroepen, een der feiten plegen omschreven in de artikelen 109 en 110 van dit wetboek.”
Kortom, welke reden is er thans nog om niet te kiezen voor het begrip «militair»?

Artikel 137 Sr en artikel 272 Sr
Artikel 137 Sr regelt de strafuitsluiting voor de verschoningsgerechtigde(n) met betrekking tot de strafbaarstellingen van de artikelen 135 en 136 Sr. Artikel 272 Sr stelt schending van de geheimhouding strafbaar. Beide artikelen bevatten het begrip «uit hoofde van zijn ambt of beroep».
Op zich is dit opmerkelijk daar het verschoningsrecht is uitgewerkt in artikel 218 Sv en daarin is opgenomen: “Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn”. Waarom vermeldt strafvordering wel de «stand» en het strafrecht niet? Wat omvat de «stand»? Dat is nader toegelicht bij behandeling van de verschillen tussen artikel 272 Sr en 218 Sv: “Hierbij blijve de categorie van hen, die krachtens artikel 218 Sv. uit hoofde van hun “stand" een verschoningsrecht hebben, buiten beschouwing. Onder deze categorie, die in artikel 272 Sr. niet genoemd wordt, plegen de geestelijken gerekend te worden. Volgens sommige schrijvers zou de geestelijke niet onder artikel 272 Sr. vallen, nu in dit artikel alleen van “ambt" en ”beroep", doch niet van “stand" gesproken wordt. Vgl. Simons-Pompe: Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht II*. p. 76; Noyon-Langemeijer: Het Wetboek van Strafrecht III", p. 59-60.”
Voormelde doet de vraag relevant worden als geestelijken vallen onder de «stand» en niet onder «beroep» of «ambt», heeft de wetgever dan deze groep willen uitsluiten van artikel 137 en 272 Sr? Of is men vergeten de «stand» toe te voegen aan beide artikelen?

Artikel 161quater Sr en artikel 161quinquies Sr
Deze artikelen stellen het besmetten van water met radioactieve stoffen strafbaar. Geen over­bodige luxe nu we in een tijd van terrorisme leven en de angst voor zogeheten “dirty boms” (vuile bommen) reëel is.
Een vuile bom kan bestaan uit “een conventioneel (dat wil zeggen niet-nucleair) explosief, met een omhulling van radionucliden.  Radionucliden zijn isotopen van elementen met een onstabiele atoomkern die door radioactief verval overgaan in andere elementen, of andere isotopen van hetzelfde element, die al dan niet stabiel zijn.”

Nu wordt het bestanddeel «radioactieve stoffen» nader beschreven in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Kernenergiewet. Daarin wordt onder «radioactieve stoffen» verstaan: “stoffen met uitzondering van splijtstoffen en ertsen, die in zodanige mate radionucliden bevatten dat zij, voorzover het de bescherming tegen ioniserende straling betreft, niet mogen worden verwaarloosd”.
Splijtstoffen en ertsen zijn dus niet radioactieve stoffen. Wat zijn dit dan? Blijkens artikel 1, eerste lid, onder b en c van de Kernenergiewet gaat het om het volgende:
splijtstoffen: stoffen, welke ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage uranium, plutonium, thorium of andere daarbij aangewezen elementen bevatten;
ertsen: ertsen die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten en waarmee handelingen worden verricht wegens hun splijt- of kweekeigenschappen;
De memorie van toelichting is duidelijk over het gevaar van splijtstoffen: “Gebruikte splijt­stoffen bijv. zijn sterk radioactief. (…) De definitie van splijtstoffen (artikel 1, eerste lid, onder b) is zodanig gekozen, dat daaronder - zoals de bedoeling is - ook gebruikte splijt­stoffen kunnen worden gebracht." Als deze stoffen worden gebruikt voor een vuile bom, dan wordt opzettelijk radioactieve straling verspreidt, maar dat valt dus het niet onder de werking van voormelde strafbepalingen.
De wetgever heeft in de wetstoelichting op de Kernenergiewet wel toegelicht waarom splijt­stoffen (en ertsen) zijn uitgezonderd. "Om doublures binnen het kader van het ontwerp te voorkomen, met name doordat op splijtstoffen, omdat ze ook radioactief zijn, zowel de bepalingen van hoofdstuk III, als die van hoofdstuk IV van toepassing zouden zijn, is in de definitie van radioactieve stoffen (artikel 1, eerste lid, onder d) bepaald, dat daaronder in deze wet niet zijn begrepen splijtstoffen of ertsen."
De Kernenergiewet heeft eigen strafbepalingen, zoals het met terroristisch oogmerk vervaardigen van ioniserende stralen uitzendende toestellen (artikel 79 Kernenergiewet), waarop een gevangenisstraf staat van ten hoogste vijftien jaren. Daarnaast bevat artikel 80 zelfs een strafbaarstelling tot levenslang. Dit is dus langer dan de vijftien tot dertig jaren die kunnen worden opgelegd op grond van het commune strafrecht. Maar dat gezegd hebbende, de strafbaarstellingen in de Kernenergiewet zijn niet gelijk aan die van het wetboek van strafrecht en door het begrip «radioactieve stoffen» zo beperkt uit te leggen is op een deel van de radioactieve stoffen (splijtstoffen en ertsen) het commune strafrecht dus niet van toepassing.

Artikel 182 Sr
Wordt in bijna alle daarvoor relevante artikelen melding gemaakt van “twee of meer verenigde personen”, artikel 182 Sr heeft het nog steeds over “met verenigde krachten”. Dit is het enige artikel in het wetboek van strafrecht die deze omschrijving nog steeds gebruikt. Zo is in 2005 in artikel 285 Sr «openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen of goederen» vervangen door: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen. Vanwaar nog steeds het gebruik van dit gedateerde begrip in artikel 182 Sr?

Artikel 192 Sr en artikel 444 Sr
Dit artikel bevat een taalkundige onjuistheid. Noyon stelde dit reeds in 1954 en anno 2017 bestaat het nog steeds: “Voor wettelijk opgeroepen” zal “wettig opgeroepen” gelezen moeten worden (idem 444 Sr). Wettelijk is hetgeen in de wet omschreven is; hier is sprake van een handeling krachtens de wet en in overeenstemming met haar verricht.”

Artikel 205 Sr
Dit artikel stelt strafbaar degene die zonder toestemming van de Koning bepaalde (wervings)handelingen verricht. Oorspronkelijk was in het wetsontwerp opgenomen het vereiste «zonder verlof der Regering». Op vragen van kamerlid Roëll werd gevraagd hoe dit zich verhoudt met artikel 10 van de wet ter uitvoering van art. 7 der Grondwet. Daarin was opgenomen dat men de toestemming des Konings diende te verkrijgen om zich in vreemde krijgsdienst te begeven. De minister erkende de vergissing en het werd veranderd in «zonder toestemming des Konings». Echter, voor­melde artikel bestaat niet meer. Zou heden ten dage dan niet volstaan kunnen worden met de toestemming van de regering, zoals oor­spronkelijk bedoeld was? Waarom krijgt de Koning hier (nog steeds) een verantwoorde­lijkheid die oorspronkelijk werd toegedicht aan de regering?

Artikel 228 en 229 Sr
In beide artikelen komt een begrip voor dat elke taalzuivering tot heden bespaard is gebleven: «nopens». Dit betekent “"aangaande, betreffende, omtrent, over”.15 Vanwaar nog steeds het gebruik van deze archaïsche  term?

Artikel 308 Sr en artikel 82 Sr
Dit artikel betreft het schuld hebben dat “een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat.”
Nu wordt het begrip «zwaar lichamelijk letsel» ook nader beschreven in artikel 82 Sr waaruit blijkt dat het ook omvat “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw.” (eerste lid), alsmede “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.” (tweede lid).
Dit betekent dat zowel voortdurende ongeschiktheid alsook tijdelijke ziekte of verhindering tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden valt onder de werking van artikel 308 Sr.

Maar wat valt onder «ambts- of beroepsbezigheden»? Deze vraag werd reeds gesteld in 1881, blijkens de toelichting op artikel 82 Sr. “Worden hier bedoeld de ambts- of beroeps­bezig­heden van den mishandelde dan wel elke bezigheid van dien aard? Het eerste zal wel bedoeld zijn, omdat het tweede veel te ver zou gaan, maar dan is het wenschelijk de beperking in de wet uit te drukken. Zou »gewone bezigheden" niet beter zijn? De taak van eene huismoeder is van groot gewigt en toch oefent zij niet een ambt of beroep uit.”
De minister stelt in antwoord hierop: “De ledematen en zintuigen die de huismoeder voor hare bezigheden als zoodanig behoeft (handen, oogen enz.), kunnen haar niet worden ontnomen, zonder dat het zwaar lichamelijk letsel ontwijfelbaar zeker is.” De vraag is echter of dit heden ten dage nog wel juist is. Immers uit jurisprudentie volgt dat een gebroken arm of been in beginsel nog geen zwaar letsel is.
Nu is de pendant van artikel 308 Sr in het verkeersstrafrecht artikel 6 WVW: "Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waar­door een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat." In dat artikel gaat het dus wel over «de uitoefening van de normale bezigheden». Dit terwijl de voorgang van artikel 6 WVW, artikel 36 WVW 1935, ook de strafbaarstelling beperkte tot «ambts- of beroepsbezigheden». De wetgever stelde als reden voor de wijziging: "Naar de huidige opvattingen lijkt het niet juist de ernst van het feit waarvan een verwijt wordt gemaakt, te relateren aan het al dan niet gehinderd worden in de «ambts– of beroeps­bezigheden». Veeleer is bepalend of iemand wordt gehinderd in de uitoefening van zijn normale bezigheden, ongeacht of dit «ambts– of beroepsbezigheden» zijn."
Dus hoewel in het verkeersstrafrecht 'een ambt of beroep' is komen te vervallen, staat dit vereiste nog steeds voorop bij artikel 82 en 308 Sr. Een gedateerd vereiste?

Artikel 312 Sr
Dit artikel bevat een strafbepaling indien het feit wordt gepleegd op de openbare weg of in een spoortrein die in beweging is (artikel 312, tweede lid, sub 1 Sr). De strafbaarstelling omvat dus niet het vliegtuig. Nu stelt artikel 385b Sr wel geweld in een vliegtuig strafbaar, maar niet diefstal. Dat is natuurlijk wel strafbaar middels de artikelen 310 en 311 Sr, maar dus niet middels artikel 312 Sr. Diefstal met geweld in een vliegtuig dient dus vervolgd te worden voor twee feiten: 310 en 385b Sr. Waarom niet gewoon opnemen in artikel 312 Sr?
Het vliegtuig mag anno 1886 dan geen rol hebben gespeeld in de wetgeving, anno 2017 is het vliegtuig niet meer weg te denken, waarom dan niet het wetboek actualiseren?

Artikel 315 Sr
Stroperij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens, trek- of lastdieren is strafbaar gesteld in artikel 315 Sr. Nu kan gesteld worden dat alle wagens ook voertuigen zijn, maar niet alle voertuigen zijn alleen maar wagens. Waarom derhalve zijn voertuigen van de strafbaarstelling uitgesloten?

Artikel 323 Sr
In dit artikel komt de omschrijving “het goed uit noodzaak in bewaring is gegeven” voor. Hiermee werd oorspronkelijk bedoeld het inmiddels vervallen artikel 1740 van het Burgerlijk Wetboek: “Bewaargeving uit noodzaak is de zoodanige welke men door eenig toeval gedwongen wordt te doen, zoo als door brand, instorting van gebouwen, plunderingen, schipbreuk, overstrooming, of andere onvoorziene toevallen.”
Dit artikel komt niet meer voor, de term «uit noodzaak in bewaring is gegeven» komt alleen nog voor in de Nederlandse wetgeving in artikel 322 Sr. Daarmee is het toelichtende karakter van voormelde omschrijving komen te vervallen. De vraag is dan ook wat de wetgever thans onder deze formulering verstaat, nu het niet meer nader geduid wordt. Hoort de wet niet uit zichzelf duidelijk te zijn? Door bijvoorbeeld in een extra lid van artikel 322 Sr thans dit begrip te duiden, of in ieder geval af te bakenen?

Artikel 328quater Sr

Dit is een specifieke vorm van omkoping. Echter daar waar de algemene artikelen inzake omkoping ook de «belofte» omvatten, is dat niet het geval voor dit artikel en het is niet duidelijk waarom niet. Waarom kan je wel de «belofte» als omkopingsmiddel hebben voor actieve omkoping, maar niet in geval van artikel 328quater Sr?

Artikel 332 Sr
Dit artikel stelt bedrog bij leveringen aan vloot of leger strafbaar. Daarmee is direct duidelijk het probleem van dit artikel: waar is de luchtmacht? Er lijkt geen enkele reden te zijn waarom de luchtmacht wel bedrogen zou mogen worden, te meer nu neerstortende vliegtuigen (door bijvoorbeeld ondeugdelijke materialen) zeer grote schade kunnen veroor­zaken. Het kiezen voor de term «krijgsmacht» lijkt dan ook meer voor de hand te liggen. Opmerkelijk is dat «de vloot of het leger» in artikel 105 Sr reeds n 1952 is vervangen door «de krijgsmacht». Waarom de wetgever dit heeft nagelaten voor artikel 332 Sr?
Artikel 435e Sr
In dit artikel wordt nog steeds gebruik gemaakt van het begrip «telefooninrichting». Voor­heen werd verwezen naar het soortgelijke begrip «telefooninrichting» in de artikelen 139a, 139c en 374bis Sr. Echter artikel 374bis Sr is komen te vervallen en de andere artikelen zijn gemoderniseerd en bevatten thans het begrip «technisch hulpmiddel». Voor invoering heeft de VVD-factie erop gewezen dat andere communicatiemiddelen, zoals telexverbindingen, ook onder de voorgestelde strafbepaling zouden dienen te worden gebracht. Dit is toen door de minister afgewezen: “Ik meen dat een dergelijke verruiming niet incidenteel kan plaats­vinden, maar dat daarin ook de andere strafbepalingen zouden moeten worden be­trokken waarin van «telefooninrichting» sprake is. Mede doordat de technologie op dit punt in snelle ontwikkeling is (…) acht ik zo'n wijziging op dit moment niet erg opportuun."
Het artikel is echter nooit meer bijgewerkt zodat artikel 435e Sr het enige artikel is waarin het gedateerde begrip «telefooninrichting» nog voorkomt. Nu is de telex inmiddels ook gedateerd, maar wat te denken van skype, e-mail, what’s app, facebook? Waarom is dit verbod anno 2017 nog steeds technologisch van de vorige eeuw?

Artikel 348a Sr
Artikel 51 Sr stelt dat strafbare feiten kunnen worden begaan door rechtspersonen en/of natuurlijke personen. Omdat de rechtspersoon civielrechtelijk een beperkt begrip is (omvat­tende de besloten vennootschap, de naamloze vennootschap, de stichting, de vereniging en de coöperatie) heeft de wetgever in het derde lid met rechtspersoon gelijk­gesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (denk aan de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap), de maatschap, de rederij en het doelvermogen. Deze gelijk­schakeling betreft de rechtspersoon als dader.
Artikel 348a Sr stelt dat onder de bestuurder van een rechtspersoon tevens begrepen dient te worden de bestuurders van een vennootschap onder firma en van een commanditaire vennootschap (dus de voormelde vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid). Maar hoe zit het dan met de bestuurders van de maatschap, de rederij en het doelvermogen? Die onder­nemingen zijn blijkens artikel 51 Sr wel rechtspersonen, maar de bestuurders van die ‘rechtspersonen’ zijn geen bestuurder van rechtspersonen blijkens artikel 348a Sr?

Artikel 437bis Sr
Dit artikel bevat het gedateerde begrip «krankzinnigengesticht», welke in andere artikelen (zoals artikel 445 Sr) is vervangen voor «psychiatrisch ziekenhuis».

Artikel 446 Sr
De term «openbare macht» komt alleen voor in dit artikel. De vraag is wat hiermee bedoeld wordt: de overheid, het bevoegd gezag? Bij de invoering van de Politiewet heeft de wetgever ervoor gekozen om de oude term «openbare macht» te vervangen. Dit is echter in het wet­boek van strafrecht (nog) niet gebeurd.

Artikel 471 Sr
De schipper houdt een strafregister bij, een register van aan boord gepleegde strafbare feiten. Sinds 12 april 1967 is deze verplichting gekoppeld aan artikel 539u Sv. Dit artikel betreft echter de verplichting om strafbare feiten door te geven aan het officier van justitie.
In 1970 is de verwijzing dan ook in een Nota van Wijziging gecorrigeerd naar artikel 539v Sv (“De schipper van een Nederlands schip zorgt dat aan boord een register van strafbare feiten aanwezig is, dat blad voor blad is genummerd”). Deze wijziging is echter niet doorgevoerd zodat nog steeds verwezen wordt naar artikel 539u Sv.
Dit is niet juist, de verwijzing naar artikel 539u Sv is opgenomen in artikel 471a Sr. De doorgevoerde wijziging van artikel 471 Sr moet in de wettekst doorgevoerd worden.