Het wetboek van strafrecht

De tweedeling versus de driedeling.
Het wetboek is ingedeeld in drie boeken. Het algemene deel wordt gevormd door boek I; het bijzondere deel bevat de misdrijven (boek II) en de overtredingen (boek III). De wetgever heeft in 1886 besloten tot de tweedeling misdrijven-overtredingen, in plaats van de driedeling misdaden, wanbedrijven en overtredingen. Waarom komen de wanbedrijven niet meer voor in het ‘nieuwe’ wetboek?
De reden voor de driedeling was een formele: onder het Franse recht gold de juryrechtspraak (de gezworenen). Zij namen kennis van misdaden; de door de staat aangestelde rechter oordeelde over wanbedrijven. Het onderscheid tussen deze twee vormen van misdrijven was te vinden in de aard van de straf op het misdrijf; was deze onterend dan betrof het een misdaad, was het niet onterend dan betrof het een wanbedrijf. Maar de noodzaak dit onderscheid te handhaven was er niet meer, er was niet een kenmerkend verschil tussen misdaad en wanbedrijf in relatie tot bijvoorbeeld de leerstukken van verjaring, deelneming, samenloop, toerekenbaarheid. Daarmee verviel de noodzaak van de driedeling en bleef de tweedeling over.

De grens tussen overtreding en misdrijf.
Is de grens tussen misdrijf en overtreding eenduidig te trekken? Nee, zoals in de memorie van toelichting gesteld wordt, het wetboek bevat geen definities, het wetboek is geen studieboek. Toch zoekt de wetgever in de memorie van toelichting bij de invoering van het wetboek naar een onderscheid: "Nu eens wordt straf bedreigd tegen een feit (handeling of verzuim) dat, ook al kon het toen nog niet door den regter gestraft worden, reeds onregt was vóórdat de wetgever sprak, en waarvan wij het onregtvaardige zouden beseffen ook al had de wetgever niet gesproken. In dit geval is er »misdrijf". Dan weder geldt het een feit dat ook in den hoogeren, regtswijsgeerigen zin eerst onregt wordt door de wet; - waarvan ons het onregtvaardige alleen uit de wet bekend kan zijn. In dit geval bestaat eene »overtreding". (…) Het onderscheid tusschen »misdrijf'' en »overtreding" ligt in het wezen van het vergrijp zelf en zal altijd en overal bestaan. Verandering van den maatschappelijken toestand moge de reeks »misdrijven" of »overtredingen" doen aangroeijen of verminderen, altijd zullen de strafbare feiten in deze twee soorten te onderscheiden zijn."
Het wordt dan ook wel gesteld dat rechtsdelicten misdrijven zijn en wetsdelicten over­tredingen. Maar ook dit standpunt is niet zonder discussie geweest. Sommige kamerleden stelden dat geen verschil in kwalificatie nodig is, alleen verschil in kwantiteit (strafmaat). Zo zijn er misdrijven die in de publieke opinie eerder als wetsdelicten worden geduid, terwijl er ook overtredingen zijn die eerder als rechtsdelicten worden aangemerkt.
De Commissie van Rapporteurs erkende dat er een (filosofisch) argument kan zijn om het onderscheid tussen wets- of rechtsschennis op te heffen, doch dat er een kenmerkend verschil tussen beiden is dat kwalitatief een verschil in de strafmaat zou rechtvaardigen: bij misdrijven gaat het om opzet of schuld, terwijl bij overtredingen het gaat om afwezigheid van opzet of schuld, het vormt daar een der elementen van het strafbare feit.
De Minister van Justitie steunde het standpunt van de Commissie van Rapporteurs, maar lichtte toe dat het niet noodzakelijk is opzet of schuld bij overtredingen aan te tonen, niet zozeer een criterium is voor onderscheid tussen misdrijven en overtredingen, als wel een reden waarom de tweedeling in de praktijk nodig is.
Bij de behandeling van de invoering van het Wetboek van Strafrecht is het onderscheid tussen wets- en rechtsdelicten bij specifieke bepalingen nog aan de orde gekomen. Zo vond de Raad van State het ophitsen van dieren (artikel 425 Sr) een ongeoorloofde daad die ook zonder wet als zodanig steeds en overal zou worden aangemerkt. "Het zou derhalve welligt als regtsschennis beschouwd en als zoodanig onder de misdrijven gerangschikt kunnen worden." Dit advies is niet overgenomen.

Weliswaar bevat het Wetboek van Strafrecht geen definitie van «misdrijf» of «overtreding», de verschillen tussen beide begrippen zijn wel duidelijk:
1. Opzet en schuld zijn geen bestanddeel bij overtredingen.
2. Poging bij overtreding is niet strafbaar.
3. Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.
4. Een klacht is alleen vereist bij sommige misdrijven, het klachtvereiste bestaat niet bij overtredingen.
5. Samenloop geldt alleen voor misdrijven.
6. De verjaringstermijnen verschillen voor misdrijven en overtredingen.
7. Bij overtredingen kan hechtenis worden opgelegd dat wordt ondergaan in een huis van bewaring, terwijl bij misdrijven een gevangenisstraf kan worden opgelegd dat wordt ondergaan in een penitentiaire inrichting.
8. In geval van overtreding kan alleen de eerste categorie van de geldboete worden opgelegd.
9. Overtredingen worden behandeld door de kantonkamer van de rechtbank; misdrijven komen voor de politierechter of meervoudige kamer van de rechtbank.
10. De duur van de hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar (artikel 18 Sr); de meeste misdrijven hebben jarenlange gevangenisstraffen als strafmaximum.
11. Het opleggen van een voorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf is alleen mogelijk tot vrijheidsstraffen van maximaal vier jaren. Dus elke overtreding mag ook voorwaardelijk afgestraft worden, terwijl voor misdrijven met een straf hoger dan vier jaren, voorwaardelijke afstraffing niet mogelijk is (artikel 14a Sr).

Er zijn meer verschillen, zo was de verbeurdverklaring alleen toepasbaar in geval van mis­drijven. Maar dit geldt inmiddels voor alle strafbare feiten.
Een ander verschil was de strafverzwaring voor ambtenaren. Dat gold alleen voor mis­drijven, maar ook dat geldt thans voor enig strafbaar feit (artikel 44 Sr).

Opzet en schuld.
"Bij stelselmatige onthouding van definitiën, zooals van misdrijf, opzet, schuld, daar alleen de rechter tot wetsuitlegging is geroepen, worden eenige in het Wetboek voorkomende uitdrukkingen uitgelegd, deels omdat zij eene technisch-juridische beteekenis hebben, die van de gewone afwijkt, deels omdat in het Wetboek tusschen tweeërlei regtskundige beteekenis eene keus is gedaan (Tit. IX)."

Er is dus geen definitie van opzet en schuld uitgewerkt in het wetboek. De minister bij invoering van het wetboek: “Ik erken slechts twee soorten van opzet en schuld: onvoor­waardelijk opzet en voorwaardelijk opzet, bewuste schuld en onbewuste schuld. (…)

Onvoorwaardelijk opzet, dikwijls kortweg "opzet" genoemd, is de wil met bewustheid gerigt op een bepaald misdrijf, d. w. z. op alle feitelijke elementen die tot zijn wezen behooren.

Maar behalve dat meest gewone opzet is er nog een ander dat men "voorwaardelijk opzet" zou kunnen noemen; het bestaat wanneer wij niet regtstreeks den wil hadden gerigt op het misdrijf, doch, de mogelijkheid voorziende dat ons handelen of niet handelen (onverschillig of het reeds op zich zelf een ander misdrijf oplevert) zeker gevolg zal hebben of met zekere omstandigheden gepaard zal gaan, toch handelen of niet handelen zonder ons door die voorziene mogelijkheid te laten weérhouden. Dat gevolg of die omstandigheden heeft men dan eventueel in zijn wil opgenomen.
"Zeker gevolg" of "onzekere omstandigheden"; van ieder een voorbeeld ter verduidelijking.

Iemand wil een huis in brand steken; zijn oogmerk reikt primitief niet verder dan om het in vlammen te doen opgaan. Intusschen verneemt hij dat zich in dat huis een zieke bevindt in zoodanigen toestand, dat het transport of de schrik waarschijnlijk den dood zal veroor­zaken. Voor dat gevolg onverschillig, steekt hij het huis in brand. Als nu de zieke verbrandt of door het transport het leven verliest, dan zou ik voor mij den dader schuldig verklaren niet aan brandstichting, maar aan moord; al heeft hij den dood niet gewenscht, hij heeft hem eventueel gewild.

Een ander, helaas in ons vaderland niet zeldzaam voorbeeld. Stel u iemand voor, die een beroep uitoefent, dat ik het beste aanduid door het niet nader aan te duiden. Er meldt zich aan of hem wordt aangeboden een meisje waarvan hem de leeftijd niet precies bekend is en welks uiterlijk het in het midden laat of de 2l jarige leeftijd reeds al of niet bereikt is. Als nu de "ondernemer" opzettelijk nalaat naar den leeftijd onderzoek te doen, denkende “ik waag het erop'', dan noem ik dat “voorwaardelijk opzet." Zeer te regt zegt onze Hooge Raad : Gij, die dergelijk beroep uitoefent, gij moet naar den leeftijd van het meisje onderzoek doen: indien gij dat willens en wetens nalaat, dan hebt gij conditioneel, eventueel, ook uwen wil op het misdrijf gerigt. De Hooge Raad handhaaft dan ook in dergelijk geval de schuldigverklaring aan het opzettelijk debaucheren van minderjarigen.

Over den ligtsten graad van schuld (onbewuste schuld) behoef ik niet uit te weiden. Zonder aan zekere regtsschennis te denken, brengt men haar door zijn onkunde, onnadenkendheid of wanbeleid te weeg.
Maar er is een hoogere graad van schuld denkbaar, die ik (...) "bewuste schuld" zou willen noemen (...). Die bewuste schuld is aanwezig, wanneer op het oogenblik van de daad de mogelijkheid der uitkomst voor den geest zweeft, maar toch zóó dat de dader, ook blijkens de voorzorgsmaatregelen die hij neemt, hoopt en vertrouwt dat het hem door zijne handigheid en bijzondere maatregelen gelukken zal die uitkomst te beletten. Stel bijv. in een feestzaal worden tal van lichten op zoodanige wijze in de onmiddellijke nabijheid van ligt ontvlambare stoffen geplaatst, dat onmiddellijk dreigend brandgevaar wordt voorzien wanneer men die lichten ging opsteken. Toch gaat het feest door, terwijl voor alle zekerheid een brandspuit voor het gebouw geplaatst wordt. Dat die brandspuit daar staat, bewijst aan den eenen kant, dat er minder is dan voorwaardelijk opzet, dat men ook eventueel den brand niet wil. Maar het bewijst tevens dat er méér is dan onbewuste schuld, dat men zich het gevaar bewust was.

Nu spreekt het van zelf, dat feitelijk dikwerf moeijelijk zal zijn uit te maken of iets te rangschikken is onder "voorwaardelijk opzet" of onder "bewuste schuld." Het kan in facto eene zeer fijne vraag worden. Maar dat tusschen beide begrippen scherp te onderscheiden is, staat mijns inziens vast.”

Hoewel de minister dus vooral denkt aan onvoorwaardelijke opzet en onbewuste schuld, is de realiteit thans een stuk complexer geworden.

Opzet
Opzet is dus niet gedefinieerd in het wetboek. Het komt in meerdere hoedanigheden voor als bestanddeel in een delictsomschrijving zoals «opzettelijk» (247x), «oogmerk» (110x), «wetende dat» (27x).

De term 'boos opzet' wordt in de rechtspraktijk nog wel eens gebruikt, terwijl de term niet voorkomt in het wetboek. De oorsprong van ‘boos opzet’ volgt uit het “ontwerp van eene inleiding van het regt in het algemeen, den 3den October 1804 aan het staatsbewind der bataafsche republiek aangeboden, gelijktijdig met het ontwerp van een lijfstraffelijk Wetboek.” Daarin is onder andere opgenomen:
“Art. 75. Opzet is het willen van zijn bedrijf en deszelfs gevolgen.
Art. 77. Opzet is, of deugdelijk, of ondeugdelijk.
Art. 78. Deugdelijk opzet is het willen van zijne daad tot een geoorloofd einde.
Art. 79. Ondeugdelijk opzet is het willen van zijne daad tot een ongeoorloofd einde.
In verband hiermede bepaalden de artt. 3 en 4 hoofdstuk I boek 1 van het ontwerp van een lijfstraffelijk wetboek:
Art. 3. Misdaad wordt begaan door boos opzet, of schuldig pligtsverzuim.
Art. 4. Boos opzet is hier de wil, om te misdoen.”8

In de jaren erna volgen enkele wijzigingen inzake opzet om uiteindelijk in het ontwerp van 1859 geen algemene bepaling meer te bevatten over opzet, de memorie van toelichting zwijgt er over. Waarom opzet niet meer nader duiden?
“Het booze (slechte, zedelijk kwade) van het opzet is bij de meeste misdrijven (moord, diefstal, verkrachting enz.) in het opzet zelf begrepen. Waar dit niet het geval is, wordt het onderzoek of het opzet boos, zoo als in het algemeen het onderzoek of het opzet meer of minder boos was, uitsluitend van belang voor de waardering van de motieven der daad die echter alleen op de mate van strafbaarheid, niet op de beslissing der vraag of er misdrijf gepleegd is, van invloed mogen zijn. De strafbaarheid der daad afhankelijk te stellen van hare zedelijke waarde of onwaarde volgens des daders opvatting, berust - om met Kemper te spreken - »op eene verwarring van zedekundige en regtsgeleerde begrippen". De strafwet verliest op die wijze alle objectiviteit, bare toepassing wordt afhankelijk van de min of meer juiste zedelijke en verstandelijke inzigten en waarderingen harer overtreders, en de regter oefent gratie voor regt.
De wet stempele dus alleen als misdrijf opzettelijk gepleegde handelingen, van welke het ieder normaal ontwikkeld mensch duidelijk moet zijn dat zij in strijd zijn met de zedelijke en maatschappelijke orde. Maar waar de wetgever, na rijp beraad, een feit onder de misdrijven heeft opgenomen, daar vrage men niet naar de subjectieve inzigten des daders over het geoorloofde of ongeoorloofde dier handeling, ten einde daarvan de strafbaarheid te doen afhangen.
Bij deze opvatting van »het opzet" is het niet noodig, daarover eene algemeene bepaling in het algemeene deel van het wetboek op te nemen. Men heeft dan alleen onder de bewerking van het bijzondere deel zich bij ieder misdrijf de vraag te stellen: is opzet daarvoor een bepaald vereischte? Zoo ja, men zal, daar waar dit niet reeds van zelf uit den aard van het feit en de taalkundige beteekenis der tot omschrijving daarvan gebezigde woorden blijkt, dit vereischte moeten uitdrukken door het woord opzettelijk. Dit is in het ontwerp dan ook met zorg gedaan, terwijl met gelijke zorg de plaats is gekozen, die het woord opzettelijk in elke zinsnede inneemt, in dier voege dat het, waar het gebezigd wordt, steeds de geheele omschrijving beheerscht van het strafbare feit, zooals die daarna volgt.”

Boos opzet als term bestaat niet meer. Maar ook de definities van opzet onder de oude voorgestelde regeling van 1804 bestaan niet meer. Wat omvat dan opzet volgens de minister? “Opzet is de (bewuste) richting van den wil op een bepaald misdrijf”. Opzet wordt dan ook wel geduid als willens en wetens. Maar hoe ver strekt dit willen en weten? De minister somt hiervoor drie vragen op:
“1°. Is het voldoende dat de wil gericht zij op de formele handeling of nalatigheid (formeel opzet, Vorsatz) of moet hij ook gericht zijn op de gebeurtenis, het onmiddellijk gevolg van de handeling of de nalatigheid (materieel opzet, Absicht, oogmerk)?
2°. Is het noodig dat de dader bekend was met alle omstandigheden die, volgens de wettelijke definitie, voor het bestaan van het misdrijf gevorderd worden? Zoo ja, moet hij daaromtrent zekerheid hebben, of is het voldoende dat hij de zekerheid van het tegendeel mist, en twijfelende, het er op waagt (voorwaardelijk opzet)?
3°. Is het noodig dat de dader bekend was met het strafbare, of althans met het rechtens of zedelijk ongeoorloofde van hetgeen hij deed?”
“Ad Ium Of de wetgever formeel opzet genoegzaam behoort te achten, dan wel materieel opzet (een bepaald oogmerk behoort te eischen - daaromtrent is geen algemeene regel te geven. Alles hangt af van den aard van het concrete misdrijf.
Wèl daarentegen is een algemeene regel mogelijk omtrent de wijze waarop hij, bij de omschrijving der "bijzondere misdrijven, hetzij het formeel opzet, hetzij materieel opzet of oogmerk behoort uit te drukken. Is het noodig bijv. het oogmerk ipsis verbis uit te drukken?
Neen, wanneer het geldt een materieel misdrijf (misdrijf eerst voltooid wanneer de handeling een bepaald gevolg had; bijv. doodslag en moord); immers dan ontleent het woord »opzettelijk", een het volgende werkwoord of substantief van zelf zijn materialen inhoud. Als men zegt "hij die opzettelijk een ander van het leven berooft", dan zou het volkomen overtollig, ja ongerijmd zijn er nog bij te voegen »met het oogmerk hem te dooden". Dat oogmerk wordt zeer zeker gevorderd, maar het volgt reeds uit het materiele werkwoord dat hier den inhoud van het begrip »opzettelijk" bepaalt.
Anders echter is het, wanneer ook bij een formeel misdrijf ( misdrijf reeds voltooid door de enkele handeling) een materieel opzet zal geeischt worden. Het gaat niet aan valschheid of diefstal eenvoudig te omschrijven door: »hij die opzettelijk. . . . namaakt", of "hij die opzettelijk ....wegneemt"; ipsis verbis moet er worden bijgevoegd »met het oogmerk om".

Ad Ilum. In 't algemeen moet de eerste daar gestelde vraag bevestigend beantwoord worden. Het volgt onmiddelijk uit de vooropgestelde definitie. Bewuste richting van den wil - niet enkel op het feit, maar op het misdrijf; wetenschap wordt alzoo vereischt ten aanzien van alles wat noodig is het feit een misdrijf te doen zijn. Hij die eens anders zaak wegneemt meenende dat die eene res nullius was, is geen dief; dwaling omtrent de essentialia (niet te verwarren met dwaling omtrent de strafbaarheid) onverschillig of zij een feitelijke dan wel een rechtsdwaling is, sluit het opzet uit.
Is het echter noodig dergelijke algemeene waarheid in het late Boek uit te drukken? Daarvan zou geene verduidelijking maar veeleer misverstand te wachten zijn.
Een ander punt. Opzet wordt niet uitgesloten door de dwaling omtrent omstandigheden die buiten het begrip van 't misdrijf gelegen zijn. Kunnen echter dergelijke onbekende omstandigheden dan toch als verzwarende omstandigheden worden toegerekend? De wet­gever zal deze vraag toestemmend of ontkennend hebben te beantwoorden, al naarmate de grond der strafverzwaring bovenal in het grootere nadeel dan wel bovenal in de grootere immoraliteit van den dader te zoeken is. Alles hangt alweder af van den aard van het concrete misdrijf.
Niet minder is dit laatste het geval bij de beantwoording der vraag, of »zekerheid" noodig, dan wel gemis van zekerheid van het tegendeel voldoende is. Daar zijn misdrijven waarbij tusschen voorwaardelijk opzet en onvoorwaardelijk opzet geen onderscheid hoegenaamd te pas komt; de houder van een publiek huis bijv. verplicht om naar den leeftijd der bij hem inwonende vrouwen onderzoek te doen, kan zich niet verdedigen door de bewering dat hij den juisten leeftijd niet met zekerheid kende; door het niet informeren blijkt de dolus. Daar is zelfs een misdrijf, waarbij geen ander dan alleen voorwaardelijk opzet feitelijk kan voor­komen, namelijk bigamie. De bigaam heeft nooit zekerheid dat zijn vroeger huwelijk nog bestaat; zijn eerste echtgenoot kan een oogenblik te voren plotseling overleden zijn. De dolus bestaat dán ook juist hierin dat bij een huwelijk aangaat, zonder zich te hebben verzekerd dat het vroegere huwelijk ontbonden of nietig verklaard is.
Het bovenstaande toont genoegzaam aan waarom de Minister meent geen gevolg te mogen geven aan den wensch hetzij om een algemeen voorschrift op te nemen waardoor de vraag of en hoeverre voor de bijzondere misdrijven opzet gevorderd wordt dan wel schuld voldoende is, zou worden beantwoord, noch om eene algemeene bepaling van opzet in te lasschen. Ook bij 't bestaan van dergelijke algemeene voorschriften komt alles op de omschrijving van het bijzondere misdrijf aan. Algemeene regels (tenzij uitgewerkt en toegelicht op eene wijze die in een wetboek niet past) kunnen niets hoegenaamd opleveren, dan alleen het gevaar, dat de uitlegger twee, welligt strijdige, maatstaven heeft aan te wen­den waar één voldoende zou zijn geweest.”

Ad IlIum “Maar zal dan de dader (om met opzet te handelen) niet, althans het bewustzijn moeten hebben dat hij eene zedelijk ongeoorloofde daad pleegt? Is opzet genoeg, moet er geen boos opzet zijn ? Ook het antwoord op die vragen kan niet anders dan ontkennend zgn. Het booze (slechte, zedelijk kwade) van het opzet is bij de meeste misdrijven {moord, diefstal, verkrachting enz.) in het opzet zelf begrepen. Waar dit niet het geval is wordt het onderzoek of het opzet boos, zoo als in het algemeen het onderzoek of het opzet meer of minder boos was, uitsluitend van belang voor de waardering van de motieven der daad die echter alleen op de mate van strafbaarheid, niet op de beslissing der vraag of er misdrijf gepleegd is, van invloed mogen zijn. De strafbaarheid der daad afhankelijk te stellen van hare zedelijke waarde of onwaarde volgens des daders opvatting, berust - om met Kemper te spreken - »op eene verwarring van zedekundige en regtsgeleerde begrippen" De strafwet verliest op die wijze alle objectiviteit, hare toepassing wordt afhankelijk van de min of meer juiste zedelijke en verstandelijke inzigten en waarderingen harer overtreders, en de regter oefent gratie voor regt. De wet stempele dus alleen als misdrijf opzettelijk gepleegde hande­lingen, van welk het ieder normaal ontwikkeld mensch duidelijk moet zijn dat zij in strijd zijn met de zedelijke en maatschappelijke orde. Maar waar de wetgever, na rijp beraad, een feit onder de misdrijven heeft opgenomen, daar vrage men niet naar de subjectieve inzigten des daders over het geoorloofde of ongeoorloofde dier handeling, ten einde daarvan de strafbaarheid te doen afhangen.”

De minister merkt op dat indien “opzet zoowel willen als weten omvat, dan is er geen de minste bedenking om' zich in de omschrijving te bedienen van uitdrukkingen als »wetende dat", »kennis dragende dat", »des bewust" enz. Ja meer, dergelijke uitdrukkingen zijn de meest natuurlijke, wanneer men te doen heeft met handelingen die op zich zelve per se opzettelijk zijn en waar dus die uitdrukking van het opzet tot die van de bekendheid met sommige omstandigheden bepaald is.”

Voorwaardelijk opzet.
Zoals blijkt uit beantwoording van de tweede vraag in de vorige alinea blijkt dat voorwaardelijk opzet als variant op opzet bestaat. De minister onderkende dit overigens ook reeds bij invoering van het wetboek.

In de Tweede Kamer werd in 1900 nog eens bevestigd dat in het Eerste Boek het voorwaardelijk opzet uitdrukkelijk met opzet gelijk is gesteld.

In de Tweede Kamer wordt verwezen naar het standaardarrest van de Hoge Raad inzake voorwaardelijk opzet. “In het bekende Ciceroarrest van 9 november van dat jaar (N.J. 1955, 55) heeft de Hoge Raad het voorwaardelijk opzet uitdrukkelijk erkend. De erkenning van het voorwaardelijk opzet als een variant van het opzetbegrip is sedertdien (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1962, N.J. 1963, 10) vaste rechtspraak geworden. Daardoor is de grens tussen opzet en schuld zozeer verschoven, dat een groot aantal geval­len van ernstige achteloosheid, welke eertijds slechts op grond van een strafbepaling tegen culpoze schending vervolgd konden worden, thans onder het begrip ‘opzettelijk schenden’ kunnen worden gebracht."
Vanuit de Tweede Kamer kwam bij de behandeling van de (milieu)strafwetgeving de vraag aan de orde of voorwaardelijk opzet nader geduid moest worden in de bepaling. “Het lijkt niet nodig in de ontworpen strafbepaling uitdrukkelijk zulke gedragingen straf­baar te stellen, nu het leerstuk van het voorwaardelijk opzet, zoals dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad is ontwikkeld, deze gedragingen onder omstandigheden mede onder het begrip «opzettelijk brengen», begrijpt. Het leerstuk van het voorwaardelijk opzet houdt in dat onder opzettelijk handelen - in casu het brengen van de gevaarlijke stoffen in het milieu - tevens moet worden begrepen het zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins denkbeeldige kans dat de verboden gedraging wordt gepleegd (vergelijk HR 26 juni 1962, NJ 1963, nr. 10). Een andere formulering van hetzelfde leerstuk luidt: de verdachte heeft zich welbewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat tengevolge van zijn handelwijze de gestelde norm wordt overtreden (vergelijk HR 14 september 1981, NJ 1981, nr. 647). Deze interpretatie in de jurisprudentie van het opzettelijk handelen lijkt voldoende ruimte te bieden ook gevallen van het opslaan, achterlaten of zich ontdoen van stoffen op ondeugde­lijke wijze onder de voorgestelde strafbepaling te vatten, voor zover de dader daarmee zich welbewust blootstelt aan de reële kans dat deze stoffen daardoor in het milieu zullen komen op een wijze dat daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is.”
Een vraag die later wederom gesteld is, ditmaal als onderdeel van de betekenistitel van het wetboek van strafrecht. De minister: “Een definiëring van het begrip «opzet» in de betekenistitel ligt niet voor de hand. Punt 1 van de Aanwijzingen voor de wetgevings­techniek (Stcrt. 1984, nr. 52) stelt namelijk dat begrippen alleen nader dienen te worden omschreven als zij afwijken van het normale spraakgebruik. Bij het begrip «opzet» is hiervan geen sprake. Evenmin ligt voor de hand het begrip «voorwaardelijk opzet» in de bepaling zelf te omschrijven. Dit zou er namelijk toe kunnen leiden dat de rechter zich op het standpunt stelt dat onder opzet in de elders reeds bestaande delictsomschrijvingen niet het voorwaarlijk opzet wordt begrepen, tenzij het expliciet wordt vermeld.”

Oogmerk.
Nu is reeds gesteld dat het begrip «oogmerk» 110x voorkomt in het wetboek. In de Eerste Kamer is hierover het volgende opgemerkt. "In het wetboek van strafrecht komen «oogmerk»-bepalingen voor. Zij geven het gevolg aan van de gedragingen van de verdachte. Soms zijn dit op zich zelf genomen geen ontoelaatbare handelingen en soms wel.

Een voorbeeld van de eerste categorie is het misdrijf van schaking in art. 281. Het gaat hier om het misdrijf een minderjarige vrouw met haar toestemming, maar tegen de wil van haar ouders weg te voeren met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren. Deze achter het oogmerkvereiste geplaatste gedraging is in dit geval in zijn algemeenheid niet strafwaardig. Dat wordt het pas, omdat de ouders hun toestemming niet gegeven hebben.

Een voorbeeld van de tweede categorie is het misdrijf van diefstal in art. 310 Wetboek van Strafrecht. Een goed wegnemen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Een goed zich wederrechtelijk toeëigenen is strafbaar.
In het voorgestelde belagingsartikel is de oogmerkbepaling opgenomen na het bestanddeel «wederrechtelijk», zodat dat bestanddeel zijn uitstraling naar de oogmerkbepaling heeft. Het oogmerk is een bestanddeel van psychische aard. Het moet bestaan hebben op het moment dat de belager zijn gedragingen verrichtte. Bij oogmerk moet er een opzet op het gevolg zijn, het oogmerk is er op gericht. Het door de belager nagestreefde gevolg hoeft evenwel niet gerealiseerd te zijn. De strafwaardigheid is dan ook niet afhankelijk van het intreden van de gevolgen. Er is geen resultaatsverbintenis. Ontkent de dader dat hij de gevolgen wilde, dan moet gekeken worden naar wat er uit de gedragingen voortvloeide en wat daaruit objectief gezien afgeleid kan worden. De initiatiefnemers verwachten dat de rechter de «oogmerkjurisprudentie» ook op de onderhavige delictsomschrijving zullen toepassen."

Schuld.
Als de wil van de dader gericht moet zijn op het strafbare feit (opzet), waarom is schuld aan een gedraging/handeling dan strafbaar? “Het kan echter zijn dat dit feit de algemeene veiligheid van personen of goederen zoozeer in gevaar brengt of dat daardoor, zoodra het is voltooid, een zoo groot en onherstelbaar nadeel aan bijzondere personen wordt berokkend dat de wet ook de onvoorzigtigheid, de nalatigheid, het gebrek aan voorzorg, in één woord de schuld waarin het feit zijnen oorsprong heeft, moet te keer gaan. In al die gevallen en ook daar waar de schending van een ambtspligt, al is zij zonder opzet gepleegd, de maat­schappelijke orde in gevaar brengt, de regten van bijzondere personen aantast en door het een of ander den eerbied voor de wet en van hen die geroepen zijn om haar uit te voeren verzwakt, treft de strafwet nevens hem die met opzet handelt, ook hom aan wiens schuld het feit te wijten is. (…) Geen delictum culposum zonder bewezen schuld bij den dader. In de opsomming der verschillende soorten van schuld (verzuim, nalatigheid, onvoorzigtigheid, gebrek aan voorzorg enz.) moet de wetgever niet treden. Veel beter is het hier in alle gevallen dezelfde algemeene uitdrukking te bezigen, ten einde de regter geheel vrij zij in de waardering van de bewezen omstandigheden ter beslissing van de bloot feitelijke vraag, of, bij gebreke van opzet, het feit aan des beklaagden schuld is te wijten.”

Wat omvat dan schuld? “Gebrek aan het noodige nadenken, aan de noodige kennis of aan het noodige beleid, ziedaar het wezen van alle schuld. Hoeveel nadenken, hoeveel kennis, hoeveel beleid is er nu noodig om van schuld vrij te wezen, met andere woorden hoe groot moet het gebrek aan nadenken, kennis, beleid zijn om als schuld te kunnen worden toegerekend ? Is het voldoende dat men niet zóó nadacht, niet zóóveel wist, niet zóóveel beleid aanwendde als de meest nadenkende, de meest kundige, de meest voorzichtige mensch (culpa levis)? Of wordt vereischt dat men minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen (culpa lata)? Zonder twijfel moet deze vraag in den laatsten zin worden beantwoord. Alleen die schuld (hetzij bewuste schuld of roekeloosheid, hetzij onbewuste schuld), behoort tot het gebied van 't strafrecht die in foro civili >culpa lata" genoemd wordt. De uitzonderingen die men opper­vlakkig zou willen aannemen, zijn slechts uitzonderingen in schijn. Zeer zeker, hij die bijv. in zijn beroep handelt of, zonder een beroep uit te oefenen, zonder noodzaak, eene beroeps­bezigheid vervult, is tot meer nadenken, kennis, beleid verplicht dan de mensch in 't algemeen. Maar ook voor hem is het voldoende dat hij zóóveel nadenken, kennis, beleid openbaart als van de leden dier beroepsklassen in 't algemeen gevorderd wordt.
Een geneesheer kan niet wegens culposen doodslag worden vervolgd, op grond dat wellicht de uitmuntendste medicus, eene beroemde specialiteit, den patient in het leven zou hebben gehouden, maar alleen dan wanneer hij niet onderzocht, niet wist of niet deed datgene wat goede medici in 't algemeen onderzoeken, weten, doen. Dezelfde onnadenkendheid, onkunde, onvoorzichtigheid die voor den niet-medicus nog slechts culpa levis zou zijn, kan voor den medicus culpa lata wezen. Maar culpa lata is steeds en voor allen noodig.”

Net zoals een definitie van «opzet» ontbreekt in het wetboek zo ontbreekt die ook voor «schuld». Dit was tegen het zere been van de commissie van rapporteurs. Zij wilden bij invoering van het wetboek meer duidelijkheid over schuld: gaat het hier om culpa lata of culpa levis? De minister: “Daarentegen kan hij onmogelijk voldoen aan den wensch om eene definitie van schuld in het Wetboek op te nemen. Om iets te beteekenen zou dergelijke bepaling een doctrinair karakter moeten bekomen en juist daardoor blijken niet in een Wetboek te huis te behooren.”