Diplomafraude

Modus operandi

Diplomafraude betreft het ten onrechte afgeven van diploma’s of getuigschriften door een onderwijsinstelling, maar ook het valselijk (laten) opmaken hiervan door een student of een ander. Dit laatste om een opleiding te claimen die niet gevolgd is en zo een werkgever te misleiden.

Het diploma kan vervalst worden, een bestaand (gestolen) diploma kan aangepast worden, maar er kan ook een diploma gekocht worden van een diploma mill (buitenlandse instelling waar je zonder te studeren een diploma kunt kopen) zonder te voldoen aan alle eisen die bij een Nederlandse diploma horen.

Een diplomafraude kan vele verdachten hebben:
● de nepstudent die zonder de vereiste bekwaamheid een diploma wil verkrijgen om de baan te behouden of een betere baan te krijgen;
● de vervalser (facilitator) die tegen betaling het valse diploma opmaakt of levert (hieronder valt ook een diploma mill aangezien zij geen onderwijs aanbieden);
● de onderwijsinstelling omdat zij naast een vergoeding per ingeschreven student ook een vergoeding per afgestudeerde student ontvangen;
● de docent omdat hij het aantal geslaagden wil verhogen (bijvoorbeeld omdat hij afstudeerscripties beoordeelt en per afgestudeerde student betaald wordt).

Diplomafraude kan ernstige gevolgen hebben. Zo is een verdachte aangehouden die op grote schaal vervalste diploma's maakte voor opleidingen tot leraar, verpleegkundige, apothekers­assistent en medewerker kinderdagverblijf. Hij verkocht de valse diploma's van middelbare school, mbo- of hbo-opleidingen voor enkele honderden euro per stuk. Alle kopers waren cum laude geslaagd, aldus de Volkskrant.1 Zo’n apothekersassistent of verpleegkundige wil je als patiënt niet hebben.

Diplomafraude kan ook betrekking hebben op het plegen van belastingfraude. Zo zouden duizenden uitzendkrachten, beroepschauffeurs en medewerkers van sociale werkplaatsen diploma’s hebben ontvangen van regionale opleidingscentra waarvan de opleiding onder de maat was. De kosten van deze opleidingen waren lager dan het belastingvoordeel van 2.700 euro per werknemer dat het bedrijf ontving. De bedrijven verdiende dus om werknemers op zo’n cursus te plaatsen, ongeacht of men er iets leerde. Het sec sturen van werknemers naar zo’n opleiding was een verdienmodel voor de onderneming geworden. Dit gat in de wet is inmiddels gedicht.

Rechtsschending
Het basisartikel bij diplomafraude is valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), hoewel ook artikel 230 Sr van toepassing is.
Er kan ook sprake zijn van oplichting (artikel 326 Sr). De onderwijsinstelling heeft een financieel belang bij het laten afstuderen van zoveel mogelijk studenten. Dit omdat menig onderwijsinstelling deels outputgefinancierd is. Het verstrekken van zogeheten plankdiploma’s leidt tot misleiding van het ministerie van Onderwijs, zodat ten onrechte vergoedingen voor niet werkelijk afgestudeerden worden uitbetaald. Voor uitwerking van deze vorm van strafbaarheid wordt verwezen naar de fraudevorm oplichting.

In geval van het onbevoegd afgeven van diploma’s door erkende onderwijs­instellingen gelden de artikelen 15.5 en 15.6 van de Wet op het hoger onder­wijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW).

Het ten onrechte voeren van een titel is strafbaar gesteld in artikel 435 Sr. Van titelfraude zijn geen strafrechtelijke uitspraken gevonden, zodat dit verder buiten beschouwing blijft.
In het verlengde van titelverbod is het verbod om onbevoegd een beschermd beroep uit te oefenen (zoals dat van advocaat of accountant). Het verbod is opgenomen in artikel 436 Sr. Ook hiervan is geen jurisprudentie gevonden zodat ook dit niet verder behandeld wordt.

Tendenties

De algemene tendentie is dat een diploma wordt verstrekt dat niet recht doet aan het werkelijke kennisniveau van de afgestudeerde.

Specifieke tendenties zijn:
● het diploma is vervalst door de student of een facilitator;
● het diploma is gekocht bij een (niet-onderwijsgevende) instelling;
● het diploma is afgegeven voor ondermaats onderwijs (door freelancer of instelling).

Onderzoek
Of het gegeven onderwijs ondermaats is, is een vraag voor de Onder­wijsinspectie. Als dat het geval is en het betreft opzettelijk handelen, dan kan daar aangifte van worden gedaan. Het is echter gebruikelijker om dit af te handelen via het civielrecht of bestuursrecht. Hierbij kan gedacht worden aan het stopzetten van de financiering, het intrekken van de accreditering van de onderwijsinstelling of het starten van een schadevergoedingsprocedure.

Strafrechtelijk onderzoek richt zich vooral op vervalste diploma’s. Hierbij is het van belang onderscheid te maken tussen de amateur en de professional. De eerste zal de eigen computer gebruiken voor de vervalsing, de tweede kan een aparte druklocatie hebben waar honderden valse diploma’s gedrukt worden.

Het startmoment van het onderzoek is een aangifte of een (anonieme) melding. In geval van een aangifte zal meestal het vervalste diploma zijn bijgevoegd door de aangever. De opsporingsambtenaar zal het diploma­register van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) raadplegen. Hierin zijn de gegevens opgenomen van studenten die diploma’s hebben behaald aan Nederlandse – door OCW gefinancierde – opleidingen. Hierdoor wordt duidelijk of hetgeen op het valse diploma is vermeld ook overeenstemt met de echte gegevens in het register.
Zijn de gegevens juist, dan moet opnieuw met de aangever gesproken worden om na te gaan of er nog wel een redelijke verdenking van schuld is.
Zijn de cijfers verschillend, dan hoeft in beginsel alleen de verdachte nog gehoord te worden. Er zijn dan al twee bewijsmiddelen: de aangifte en de bevestiging van de valsheid door het diplomaregister. Er moet dan wel rekening worden gehouden dat de andere fraudegevallen dan onbekend blijven. Dat is zeer onwenselijk. Immers de maatschappij kan zich niet veroorloven dat er niet-opgeleide apothekersassistenten en verpleegsters werkzaam zijn.

Mocht aanvullend onderzoek nodig zijn, dan kan gedacht worden aan:
● Het horen van de docenten die les zouden hebben gegeven aan de student.
● Het onderzoeken van de gegevens die in de onderwijsadministratie van de instelling zijn opgeslagen, zoals aanwezigheidslijsten, cijferlijsten.
● Het uitvoeren van een doorzoeking in de woning van de student en/of ruimte waar mogelijk gewerkt wordt. Doel is het vinden van het productiemiddel (computer en printer, drukpers), testexemplaren, voltooide exemplaren, klantenlijst.
● Het opvragen van de bankrekening(en) van de verdachte. Hier dient vastgesteld te worden welke inkomsten er zijn naast het loon of de uitkering. Dit kan duiden op verkoopopbrengsten. De namen op de klantenlijst worden vergeleken met de inkomsten op de bankrekening van derden.

Let op, niet alleen de maker van de valse diploma’s is strafbaar. Het onderzoek richt zich ook op eventuele handlangers. Zo is een taakstraf van 140 uren opgelegd voor het medeplegen van het afleveren van vervalste diploma’s en cijferlijsten en het voorhanden hebben van deze stukken. De rechtbank achtte bewezen dat de medeverdachte gedurende twee maanden als koerier was opgetreden voor een verdachte die al eerder was veroordeeld voor het opmaken van valse diploma’s en cijferlijsten en de handel daarin.

In geval van de professional wordt nagegaan hoeveel verdiend is met de handel in valse diploma’s. Het betreft een vrijwillige verkoop tussen student en fraudeur, zodat er geen schadevordering ingediend zal worden. Dat betekent dat als het geld niet ontnomen wordt, de verdachte het geld zou mogen houden en dat is onwenselijk.
Bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet niet alleen de omvang van de illegale productie vastgesteld worden, maar ook van de geleverde diploma’s. Zo werd bij een diplomafraudezaak een ontneming aangebracht van 34.417 euro, maar alleen van 17.500 euro stond vast dat daarvoor diploma’s waren geleverd.

Strafrecht - artikel 225 Sr

Bestanddeel ‘oogmerk’
Het oogmerk richt zich op het gebruik alsof het geschrift echt is. Moet het oogmerk van verdachte dan ook gericht zijn op het misleiden van de afnemers van de valselijk opgemaakte diploma’s en getuigschriften? Nee, het oogmerk kan ook bestaan uit de bewuste bedoeling om het valse geschrift als echt en onvervalst te doen gebruiken door anderen. Het daadwerkelijk gebruikmaken is niet noodzakelijk. Zo is het voldoende als uit het strafdossier blijkt dat diverse afnemers van de diploma’s aan verdachte te kennen hebben gegeven dat zij de vervalste diploma’s nodig hebben voor een sollicitatie of opleiding.

Bestanddeel ‘bewijs van enig feit’
Het geschrift moet dienen ter bewijs van enig feit. Er is een verweer gevoerd dat de facilitator de diploma’s of getuigschriften aan kopers leverde zonder de vereiste handtekening te zetten op de plaats van de geëxamineerde. Zonder deze handtekening zouden de geschriften niet kunnen dienen als bewijs van enig feit, aldus de verdachte. De rechtbank constateert dat de door de verdachte valselijk opgemaakte diploma’s van een zodanige kwaliteit zijn dat deze in het maatschappelijke verkeer als echt en onvervalst zouden kunnen worden gebruikt en dus op zichzelf reeds geschikt moeten worden geacht om tot bewijs van enig feit te dienen. Het enkele feit dat de geëxamineerde zijn of haar handtekening nog niet had geplaatst, doet hieraan niet af.

Bestanddeel ‘vervalsen of valselijk opmaken’
Vervalsen van een bestaand geschrift met bewijsbestemming vereist dat het geschrift zodanig wordt veranderd dat het daarna vals is. Valselijk opmaken echter is het opstellen van een nieuw vals geschrift of het vervolmaken van een geschrift dat nog niet af was. De verdachte heeft in deze zaak nieuwe valse geschriften opgesteld. Het gegeven dat hij dit deed naar het voorbeeld van bestaande echte diploma’s en getuigschriften neemt niet weg dat hij steeds nieuwe, voorheen nog niet bestaande, documenten vervaardigde.

Bestanddeel ‘weet of redelijkerwijs moet vermoeden’
In artikel 225 lid 2 Sr is de eis gesteld dat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het geschrift bestemd is om te gebruiken als ware het echt. Betekent dit dat als een onderwijsinstelling ten onrechte graden afgeeft, dat de studenten het moesten weten dat de onderwijsinstelling hiertoe niet bevoegd was? Neen. Het gaat om de waarde die een derde, die dat niet wist, redelijkerwijs eraan mag toekennen. De diploma’s waren door professoren getekend, erin werd vermeld dat zij een graad verkregen. Legalisatiestempels van een notaris, een rechtbankpresident en twee Nederlandse ministeries zijn gebruikt. Hoewel deze stempels officieel slechts zien op de juistheid van de handtekeningen, wordt daarmee de indruk gewekt dat de diploma’s echt zijn.

Verhouding artikel 225 Sr met artikelen 15.5 en 15.6 WHW
Een onderwijsinstelling voerde het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was in de vervolging omdat vervolgd werd op grond van artikel 225 Sr en dat had artikel 15.5/15.6 WHW moeten zijn. De rechtbank stelt dat de instelling niet behoort tot die instellingen die vallen onder de WHW en dus ook niet valt onder de artikelen in die wet. Daarom mag op grond van het commune strafrecht vervolgd worden.
De onderwijsinstelling stelde vervolgens dat als de instelling niet valt onder de WHW, dat het niet dan strafbaar is om valse masterdiploma’s te verstrek­ken. De rechtbank merkt op dat het WHW weliswaar niet van toepassing is, maar dat staat vervolging op grond van artikel 225 en 326 Sr niet in de weg. Het handelen is dus wel degelijk strafbaar.

Voorbeelden van diplomafraude

● De verdachte heeft verschillende valse diploma’s opgemaakt en verkocht. Hierdoor beschikken verschillende personen zonder de opleiding met succes te hebben afgerond over een diploma. De verdachte handelde uit puur winstbejag en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. Volgt veroordeling tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
● Een professional heeft vele diploma’s en cijferlijsten valselijk opgemaakt en verkocht aan verschillende afnemers. Volgt veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, geldboete van 10.000 euro en een taakstraf van 240 uren.
● Een onderwijsinstelling reikte 112 diploma’s uit waarop was vermeld dat academische graden waren behaald, terwijl zij hiertoe niet bevoegd was. Volgt veroordeling tot een geldboete van 50.000 euro waarvan 25.000 euro voorwaardelijk. Daarnaast werd de instelling verplicht op haar website te waarschuwen dat zij niet bevoegd was graden af te geven.

Strafrecht - artikel 230 Sr


Artikel 230 Sr
1. Hij die een getuigschrift van goed gedrag, bekwaamheid, armoede, gebreken of andere omstandigheden valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken tot het verkrijgen van een indienststelling of tot het opwekken van welwillendheid en hulpbetoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van enig in het eerste lid vermeld vals of vervalst getuigschrift als ware het echt en onvervalst.


Een getuigschrift kan betrekking hebben op het gedrag, de bekwaamheid van degene die het stuk valselijk opmaakt of vervalst, maar ook dat van een ander.
De vorm is niet relevant, de inhoud bepaalt of een geschrift aangemerkt moet worden als getuigschrift. Het ontbreken van de benaming getuigschrift is daarom irrelevant.
Er is verder geen jurisprudentie aangetroffen met betrekking tot dit artikel.