Uitkeringsfraude

Modus operandi

Bij sociale zekerheidsfraude kan het gaan om werknemersverzekeringen1, volksverzekeringen en sociale voorzieningen.

Sociale zekerheidsfraude is het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van relevante gegevens voor de bepaling van het recht op uitkering en de duur en hoogte van de uitkering, met als gevolg dat een uitkering geheel of ten dele ten onrechte wordt verstrekt.

In de praktijk blijken voornamelijk de volgende vormen van uitkeringsfraude voor te komen:
● het verzwijgen van een gezamenlijk huishouden;
● het niet wonen op het uitkeringsadres;
● het verzwijgen van inkomen;
● het verzwijgen van (zwart) werk;
● het niet ontvangen van inkomen voor verrichte arbeid (fictief inkomen);
● het verwijtbaar werkloos zijn;
● het verzwijgen van vermogen;
● het niet of onverantwoord interen op vermogen;
● het voordoen van een ziekte of arbeidsongeschiktheid.

De gebruikte modus operandi hangt af van de sociale uitkering. Zo is het verzwijgen van samenwonen alleen relevant voor die uitkeringen of voorzieningen die het inkomen meetellen. Zo is voor de Werkloosheidwet niet van belang wat het vermogen is van de uitkeringsgerechtigde, terwijl dat voor de bijstandsuitkering wel van belang is. Terwijl het verzwijgen van werk ook van belang is voor de Werkloosheidwet.

Rechtsschending
Uitkeringsfraude vindt plaats door opzettelijk onjuiste en/of onvolledige informatie door te geven aan de uitkeringsinstantie. Als dit schriftelijk gebeurt, is er sprake van valsheid in geschrift (artikel 225 Sr). Als het gaat om verzwijging van relevante informatie, dan gaat het om de artikelen 227a en 227b Sr (misdrijf) of de artikelen 447c en 447d Sr (overtreding).
Daarnaast kan ook vervolgd worden voor oplichting van de uitkerings­instantie (artikel 326 Sr).

De partner van de uitkeringsfraudeur is zelf ook een verdachte. Namelijk van het medeplegen als hij of zij ook de uitkering ontvangt, of voor heling (artikel 416, 417, 417bis Sr) indien bewezen kan worden dat de partner wist dat de verdachte een uitkering ontving terwijl daar geen recht op was en de partner gebruik heeft gemaakt van het geld dat uit die uitkering is verkregen. Dit laatste kan door te wonen in een huis waarvan de huur door middel van de uitkering betaald wordt.

Het Openbaar Ministerie heeft een aanwijzing opgesteld voor uitkeringsfraude. Uit de vernieuwde aanwijzing blijkt dat de grenzen voor strafrechtelijke vervolging aanzienlijk zijn verhoogd. Kon voorheen voor 10.000 euro uitkeringsfraude strafrechtelijk vervolgd worden, nu is de grens naar 50.000 euro opgetrokken. De gedachte hierachter is dat de gemeente met de bestuurlijke boete de lichtere zaken kan afdoen. Een opmerkelijke gedachte omdat de uitkeringsfraudeur die ontdekt wordt de fraudeleus verkregen uitkering moet terugbetalen. Dit bedraagt duizenden euro’s en moet betaald worden vanuit de uitkering. Hoe moet een bestuurlijke boete dan nog betaald worden?
Het bedrag dat in de aanwijzing wordt genoemd is het brutobedrag. Afgedragen of af te dragen loonbelasting en eventuele premies zijn in het nadeel begrepen. Daarnaast is niet vereist dat het een voltooid delict moet zijn; ook een poging kan vanaf 50.000 euro (potentiële) schade vervolgd worden.

De aanwijzing bevat enkele uitzonderingen wanneer het Openbaar Ministerie wel bevoegd is strafvorderlijke bevoegdheden en/of vervolging in te stellen bij een uitkeringsfraude lager dan 50.000 euro. Dit mag als:
● van tevoren nog niet bekend is hoe lang de fraude heeft geduurd;
● er sprake is van een combinatie met andere strafbare feiten;
● de verdachte een voorbeeldfunctie heeft;
● er sprake is van recidive (bestuurs- of strafrechtelijk);
● er zaken zijn waar bestuursrechtelijk niet opgetreden kan worden ;
● er zaken zijn waar medewerkers van de uitkeringsinstantie bij betrokken zijn;
● de fraude gepleegd is in georganiseerd verband.

Tendenties
De algemene tendentie is het verzwijgen van omstandigheden aan de uitkeringsinstantie waardoor het recht op uitkering zou wijzigen of stoppen.

De specifieke tendenties zijn reeds uitgewerkt onder de modus operandi. Omdat in de praktijk strafvervolging vooral betrekking heeft op bijstandsfraude zal in dit boek alleen ingegaan worden op de volgende specifieke tendenties:
● het niet vermelden van samenwonen;
● het niet vermelden van inkomen
● het niet vermelden van vermogen

Onderzoek

Algemeen
Een uitkeringsonderzoek start in beginsel vanuit het sociale zekerheidsrecht. Daar zal een handhavingsmedewerker, medewerker toezicht, controle­mede­werker of sociaal rechercheur (in zijn hoedanigheid van controlemedewer­ker) stuiten op een mogelijk strafbaar feit.

Zodra sprake is van een redelijke verdenking van schuld aan enig strafbaar feit is niet meer sprake van een bestuursrechtelijk onderzoek, maar wordt het een strafrechtelijk onderzoek. De sociaal rechercheur is een buitenge­wone opsporingsambtenaar en is derhalve bevoegd om het strafrechtelijk onderzoek uit te voeren. Wel gelden vanaf dat moment de waarborgen uit het Wetboek van Strafvordering. De buitengewone opsporingsambtenaar geeft de verdachte bij verhoor dan ook eerst de cautie, neemt de Salduz-jurisprudentie in acht6, vraagt verlof tot doorzoeking van de woning van de verdachte enzovoort.
Sfeerovergang betekent niet dat in de opsporingsfase geen controlebevoegdheden gebruikt mogen worden of dat controlebevoegdheden niet meer gebruikt mogen worden als ook gekozen had kunnen worden voor opsporingsbevoegdheden. De bevoegdheden die zijn toegekend ten behoeve van controle mogen ook voor de opsporing worden gebruikt, mits daarbij de aan de verdachte toekomende waarborgen in acht worden genomen.

Verzwijgen van samenwonen
Voor samenwonen moet men een gezamenlijke huishouding voeren. Hiervan is sprake als twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in de huisvesting en zij bovendien een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
Voor het samenwonen is niet vereist dat sprake is van een affectieve relatie. Zo was in een fraudezaak wel sprake van een gezamenlijke huishouding bij een man die een vrouw met kind over en weer bijstond zonder dat er sprake was van een affectieve relatie. De man liet verdachte met haar zoontje tegen een zeer laag bedrag in door hem gekochte relatief dure huizen wonen en liet haar gebruik maken van zijn auto's.
Een kostganger kan ook leiden tot een gezamenlijke huishouding als sprake is van een economische eenheid. Hiervan kan sprake zijn als de kostganger de gezamenlijke verhuizing, de huur, de inboedelverzekering en de telefoonrekening betaalt en/of dat ze beiden op elkaars rekening gemachtigd zijn, dat ze beiden boodschappen doen en de woonkamer gemeenschappelijk gebruiken. Deze omstandigheden zijn van belang voor het vaststellen van het recht op een uitkering.
Het beschikken over eigen woonruimte is niet bepalend of er wel of geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het gaat om de economische verwevenheid tussen beiden.
Als er sprake is van een gezamenlijke huishouding, dan moet ook sprake zijn van opzet op het handelen. Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verdachte moet hebben beseft dat de verzwijging van de samenwoning en de wijziging van zijn adres, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat hij voor zichzelf bijstand of hogere bijstand zou verkrijgen dan wel behouden dan waarop hij recht had, zodat bij de verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde oogmerk aanwezig was.

Voorbeelden van het niet aanmerken als gezamenlijke huishouding:
● Uit de verklaringen van de man en vrouw blijkt dat zij samen slapen en zij hem verzorgt; voorts dat hij voor zichzelf kookt en wast en wel eens de vaat doet. Niet blijkt dat de man aan de kosten heeft bijgedragen of op andere wijze in de verzorging van de vrouw heeft voorzien.
● De verdachte verbleef weliswaar tijdelijk in de woning van de ex-partner om op het zoontje van de ex te kunnen passen. Maar dat deed hij omdat de gezondheidstoestand van het kind een zodanige belasting, zowel in psychisch als in fysiek opzicht, voor de destijds 21-jarige verdachte vormde, dat zij de steun van haar (ex-)partner nodig had. Echter, niet is gebleken dat er sprake was van het zorgdragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins.

Om te kunnen valideren of falsificeren of sprake is van samenwonen dient onderzoek te worden uitgevoerd.
Een eerste stap is het opvragen van de verbruiksgegevens bij de elektri­citeitsmaatschappij en het waterbedrijf. Deze gegevens kunnen worden vergeleken met de normen van een gemiddeld verbruik van een soortgelijke gezinssamenstelling.
Een tweede stap is het onderzoeken van de sociale media (Twitter, Facebook, Linkedin). Daarmee kan worden vastgesteld hoe de verdachten met elkaar omgaan, of zij gezamenlijk op vakantie gaan, of zij veel buiten de deur eten, veel naar feesten gaan. Vooral de vraag met wie kan hier van belang zijn. Ook dit bewijs is meestal alleen ondersteunend van aard.
Een derde stap is het opvragen en analyseren van de bankrekeningen van de verdachten. Onderzocht wordt wie welke uitgaven doet, om zo vast te stellen of ze voor elkaar betalen.
Een vierde stap kan incidentele of stelselmatige observatie zijn. De incidentele observatie wordt uitgevoerd op grond van artikel 53a WWB/Participatiewet. De stelselmatige observatie moet worden aangevraagd met een vordering ex artikel 126g Sv aan de officier van justitie.

Als uit voorgaande voldoende duidelijk wordt dat sprake is van samenwonen, kan het onderzoek afgerond worden met een doorzoeking. Doorzoeken van de woonruimte van de verdachte geschiedt om bewijs van samenwonen te vinden (kleren, persoonlijke verzorging, boekhouding, foto’s, computers en andere spullen van de partner), maar kan ook gebruikt worden om vermogen veilig te stellen voor verhaal van schade van de uitkeringsinstantie.
De woonruimte van de partner wordt ook doorzocht om vast te stellen of diens woning wel of niet bewoond wordt. Dit kan door na te gaan of er eten in de koelkast is, kleding in de kast, post in de brievenbus, of het huis wordt schoongemaakt.

Bij de doorzoeking zal ook direct aanhouding plaatsvinden om te voorkomen dat de verdachten onderling gaan overleggen wat er verklaard moet gaan worden. Afhankelijk van de noodzaak wordt na aanhouding buren gehoord (buurtonderzoek). De verdachten worden vervolgens gehoord en geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen.

Verzwijgen van vermogen
Bij het verzwijgen van vermogen gaat het meestal om onroerend goed en bankrekeningen. Om dit te onderzoeken vraagt de sociaal rechercheur de belasting- en bankgegevens op. Vanuit de bankgegevens kan vastgesteld worden wat het saldo is, of er contante stortingen hebben plaatsgevonden, maar ook of er verzekeringspremies voor onroerend goed worden betaald. Als dat het geval is, kan van de verzekeringsmaatschappij de verzekeringspolis opgevraagd worden van het onroerend goed. Via het kadaster kan dan eigenaarschap vastgesteld worden. Of als de verdachte een katvanger gebruikt, kunnen de personalia van de katvanger bekend worden en kan die gehoord worden over het onroerend goed en wie de werkelijke eigenaar is.

Het onderzoek naar verzwegen vermogen in Nederland is niet moeilijk. Voor zover de sociaal rechercheur al niet eigen bevoegdheden heeft, kan hij via de officier van justitie of rechter-commissaris aanvullende onderzoeksmogelijkheden aanvragen. Verzwegen vermogen in het buitenland opsporen is lastiger. In een strafrechtelijk onderzoek betekent dat het indienen van een rechtshulpverzoek bij het land waar het vermogen verzwegen zou worden. Het hangt dan van de bereidwilligheid van dat land af, of (tijdig) een reactie volgt op het verzoek.

Voorbeelden van verzwegen vermogen:
● De verdachte beschikte over een auto met een nieuwwaarde van 40.840 euro, die zij dertien maanden gebruikte zonder een vergoeding te hoeven te betalen. Dit kan gezien worden als een op geld waardeerbaar voordeel dat verdachte als tegenprestatie voor een privékwestie heeft genoten, en dus als inkomen in natura. Dit had gemeld moeten worden in het formulier van de uitkeringsinstantie omdat het van invloed kan zijn op de hoogte van de verstrekte uitkering.
● De verdachte heeft een bijstandsuitkering terwijl hij ook bezittingen heeft in Turkije. Daardoor is misbruik gemaakt van sociale voorzieningen die uitsluitend zijn bestemd voor degenen die er recht op hebben en er werkelijk van afhankelijk zijn.
Verzwijgen van inkomen
● Een uitkeringsgerechtigde moet opgeven als hij werk heeft. Het gaat hierbij om werkzaamheden waarvan het redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op, of de hoogte van de verleende bijstand of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Aan het begrip werkzaamheden komt geen specifieke, van het algemeen spraakgebruik afwijkende betekenis toe.

Het onderzoeken van het verrichten van werk kan plaatsvinden door het uitvoeren van observatie, door het onderzoeken van diens bankrekeningen op salarisstortingen, contante stortingen of onverklaarbare uitgaven, of door het horen van de werkgever. Meestal wordt zwart werk contant uitbetaald, zodat observatie en onderzoek van onverklaarbare uitgaven dan het enige houvast vormen om het bestaan van een verzwegen baan vast te stellen.
De onverklaarbare uitgaven kunnen worden vastgesteld via de indirecte methode. Dat wil zeggen dat het verkregen zwarte inkomen of verzwegen vermogen niet berekend kan worden (dat zou de directe methode zijn), maar dat de uitgaven van de verdachte onderzocht worden. Via deze indirecte methode van het bepalen van de uitgaven kan nagegaan worden wat het inkomen of vermogen geweest moet zijn om die uitgaven te kunnen betalen.
Hiervoor zal de sociaal rechercheur de woning doorzoeken en op zoek gaan naar bewijs van uitgaven: er worden foto’s van de inboedel gemaakt voor taxatiedoeleinden, er wordt naar kwitanties gezocht, naar stempels in paspoorten van reizen, naar vakantiefoto’s, naar kostbare goederen. De bankafschriften worden vervolgens gecontroleerd op deze uitgaven. Als die niet vermeld zijn, dan zijn de uitgaven contant betaald of door een ander betaald. Dit betreft vooral het in kaart brengen van contant gekochte luxegoederen.
Via de indirecte methode kunnen ook de kosten van levensonderhoud bepaald worden. Hiervoor analyseert de sociaal rechercheur de bankrekening van de verdachte en stelt vast of hiervan alleen de vaste lasten betaald worden, of ook de kosten van levensonderhoud. Als geen contante geldopnamen van de bankrekening zijn gedaan en er worden alleen rekeningen betaald voor huur, gas, licht, verzekeringen, telefoonabonnement, dan is sprake van een verborgen geldstroom om kosten als eten, drinken, kleding, uitgaan, benzine auto en dergelijke van te betalen. De hoogte van dit bedrag kan vastgesteld worden door gebruik te maken van de NIBUD-voorbeeldbegrotingen.
Via de indirecte methode is niet bekend van wie het geld komt (zwart werken, drugsdealen, verkoop gestolen goederen, schenking van geld door familie), maar dat maakt ook niet uit. Inkomen en vermogen moet aan de uitkeringsinstantie doorgegeven worden.

Voorbeelden van het niet melden van inkomen:
● De verdachte heeft de met het knippen van hennep verdiende inkomsten niet opgegeven aan de uitkeringsinstantie.
● De verdachte heeft niet gemeld dat zij inkomsten uit prostitutie verkreeg.
● De verdachte heeft opzettelijk de ontvangen inkomsten bij de hockeyclub en de werkzaamheden en/of inkomsten via een bedrijf niet (tijdig) gemeld.

Strafrecht

Artikelen 225 Sr

Toepassing van dit artikel neemt af doordat steeds minder gebruik wordt gemaakt van de rechtmatigheids- en statusformulieren die de bijstandsgerechtigde periodiek moest invullen. Tegenwoordig wordt bij vervolging vooral gebruikgemaakt van artikel 227b Sr.

Voorbeelden van valsheid in geschrift:
● De verdachte heeft op uitkeringsformulieren van de Dienst Sociale Zaken telkens vermeld dat hij op zijn gba-adres woonde, terwijl dat feitelijk niet het geval was. Volgens de verdachte zou de Dienst Sociale Zaken dit gedogen. Het hof maakt er korte metten mee: een en ander blijkt niet uit de stukken en de verdachte heeft verzuimd dit standpunt op enigerlei wijze te onderbouwen.
● De verdachte heeft door ondertekening van meerdere vragenformulieren willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij na liet nagelaten informatie te verstrekken over het vermogen in Turkije.
● De verdachte heeft nagelaten in de uitkeringsformulieren melding te maken van de 90.000 euro waarover hij beschikte. Hierdoor is het voor de uitkeringsinstantie niet mogelijk geweest de juiste hoogte van de uitkering te bepalen. De verdachte heeft dusdoende het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd, geschaad.

Voorbeelden van zaken die geen valsheid in geschrift opleverden:
● De verdachte is meerdere malen door de sociale recherche gecontroleerd en heeft enig inzicht gegeven in de gevraagde gegevens. Hierdoor kan niet gesteld worden dat de verdachte opzet had op het plegen van valsheid in geschrift.
● De verdachte wist niet wat hij moest doorgeven. Uit informatie van de UWV-folder blijkt niet duidelijk wanneer sprake is van een daadwerkelijke start als zelfstandig ondernemer en wanneer werkuren doorgegeven moeten worden. Bovendien heeft verdachte aan het UWV en het CWI openheid van zaken gegeven, terwijl zij niet direct actie hebben ondernomen. Er is geen sprake van opzet op het vals opmaken van de UWV-formulieren.

Artikelen 227a en 447c Sr

Deze artikelen zijn uitgebreid aan de orde gekomen bij de fraudevorm subsidiefraude. Voor de uitkeringsfraude wijs ik nog op het volgende.

Uit jurisprudentieonderzoek blijkt dat uitkeringsfraude nagenoeg alleen vervolgd wordt op grond van de artikelen 225 en 227b Sr en niet op grond van artikel 227a Sr. De memorie van toelichting maakt duidelijk dat dit wel mogelijk is. Er zijn echter andere bestanddelen opgenomen in artikel 227a Sr die vervolging voor uitkeringsfraude bemoeilijken. Zo stelde de rechtbank te Den Haag dat in de betreffende zaak vervolgd had kunnen worden voor artikel 225 Sr of artikel 227b Sr, maar niet voor artikel 227a Sr. De eerste vraag die de rechtbank stelde was of loonbetalingen als een verstrekking of tegemoetkoming in de zin van artikel 227a Sr kunnen worden beschouwd. De tweede vraag was of er sprake was van mondeling verstrekte gegevens. Dit omdat de verdachte een arbeidsovereenkomst had getekend en daardoor feitelijk onware informatie was verstrekt. Dat is valsheid in geschrift en artikel 227a Sr mag dan niet gebruikt worden voor vervolging.

Artikelen 227b en 447d Sr
Ook deze artikelen zijn al uitgebreid beschreven bij de fraudevorm subsidiefraude. Voor de uitkeringsfraude wijs ik nog op het volgende.

Bestanddeel ‘wettelijk voorschrift’
Er moet sprake zijn van een wettelijk voorschrift. In de sociale zekerheids­wetgeving moet dan vooral gedacht worden aan de inlichtingenplicht. Er kan niet eenvoudig onder deze plicht uitgekomen worden: het is een feit van algemene bekendheid dat de uitkeringsgerechtigde een inlichtingenplicht heeft tegenover de uitkeringsinstantie, en dat hij gehouden is te allen tijde gegevens, die redelijkerwijs van belang zijn voor de vaststelling van het recht op die uitkering, tijdig door te geven.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de inlichtingenplicht niet alleen rust op de uitkeringsgerechtigde, maar ook op de curator die de uitkeringsgerechtigde vertegenwoordigt.

Bestanddeel ‘nalaten’
Het niet voldoen aan een inlichtingenplicht is een nalaten. In de uitkerings­regelingen is opgenomen dat de relevante informatie tijdig moet worden verstrekt. Uit de memorie van toelichting blijkt dat hieronder ook wordt begrepen het verstrekken van de benodigde informatie aan de verkeerde persoon of instantie. Natuurlijk is er geen vervolging als verdachte dit niet kan worden verweten.

Niet aangemerkt als nalaten was het niet doorgeven van een (extra) bankrekening omdat opzet ontbreekt. Het ging om spaargeld, gespaard van de door verdachte ontvangen uitkering van de sociale dienst.

Voorbeelden van schending van artikel 227b Sr:
● Uit onderzoek blijkt dat de verdachte samenwoont en dat niet gemeld heeft op de inkomstenopgaveformulieren Anw. Dit is valsheid in geschrift. Ook heeft de verdachte anderszins het uitkeringsorgaan niet van deze situatie op de hoogte gebracht en zich daarmee schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan het uitkeringsorgaan (artikel 227b WvSr).
● De verdachte heeft over een periode van bijna twee jaar een uitkering ontvangen, terwijl hij heeft nagelaten de uitkeringsverstrekkende instantie in te lichten dat hij in dezelfde periode inkomsten uit arbeid genoot.
● Gedurende negen jaren heeft de verdachte verzuimd door te geven dat zij inkomsten verwierf uit een WAO-uitkering en een bijstandsuitkering op naam van haar zuster.

Artikelen 416, 417 en 417 bis Sr

Artikel 416 Sr
1. Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
b. hij die opzettelijk uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een door misdrijf verkregen goed overdraagt.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekt.

Artikel 417 Sr
Hij die van het plegen van opzetheling een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 417bis Sr
1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
b. hij die uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.


De pleger van het misdrijf is in eerste instantie de uitkeringsgerechtigde. Die ontvangt de uitkering en liegt over diens situatie. Dat kan leiden tot vervolging voor valsheid in geschrift, verzwijging en/of oplichting. Maar de partner kan ook strafbaar zijn. Deze maakt immers gebruik van de woning van de uitkeringsgerechtigde, van het eten, het licht. En dat is betaald met het uitkeringsgeld en dat is verkregen uit enig misdrijf (namelijk de uitkeringsfraude). In dat geval maakt de partner zich schuldig aan heling.

Heling van de partner is moeilijk bewijsbaar. Vaak kan wel aangetoond worden dat men samenwoont en dat de partner van de uitkeringsgerechtigde van de in die woning aanwezige voorzieningen en goederen gebruikmaakt, maar de bewijsmiddelen zijn vaak onvoldoende om aan te tonen de partner wist dat die werden betaald vanuit de uitkering of dat de uitkeringsgerechtigde de uitkering via misdrijf verkreeg.

Voorbeelden van veroordeling voor heling:
● Hoewel de verdachte drie jaren als mantelzorger heeft gefungeerd en de uitkeringsgerechtigde tot grote steun was, heeft de verdachte wel gebruikgemaakt van voorzieningen die werden betaald uit de opbrengst van de door valsheid in geschrift ontvangen bijstandsuitkering. Dat de verdachte enkel verzorgt en geen deel uitmaakt van het gezin, doet hieraan niet af. Volgt veroordeling tot een taakstraf van 200 uren.
● De verdachte liet de medeverdachte met haar zoontje tegen een zeer laag bedrag in de door de verdachte gekochte/gehuurde huizen wonen en gebruikmaken van zijn auto's, terwijl medeverdachte schoonmaakte in die huizen. Hij wist dat de vrouw een uitkering ontving en had moeten vermoeden dat dit ten onrechte was. Door niettemin huurbetalingen van de vrouw aan te nemen, heeft de verdachte gelden verworven, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. Volgt veroordeling tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk.
● De verdachte voerde een geruime tijd met zijn vriendin een gezamenlijke huishouding, terwijl hij wist dat zij ten onrechte een sociale uitkering genoot van de gemeente Emmen en hij zelf uitkomsten uit arbeid genoot. De verdachte heeft gebruikgemaakt van voorzieningen en heeft eet- en drinkwaren genuttigd welke werden betaald van de uitkering. Door deze handelwijze heeft de verdachte geprofiteerd van de aan vriendin verstrekte uitkering. Volgt veroordeling tot een taakstraf van 240 uren en acht maanden gevangenisstraf voorwaardelijk.