Valsheid in geschrift

Modus operandi

Valsheid in geschrift is het vervalsen van schriftelijke stukken (Van Dale). De vorm van de valsheid hangt af van de reden. Wil de verdachte een ander arbeidsverleden creëren om een potentiële werkgever te misleiden, dan vervalst hij zijn curriculum vitae. Wil de verdachte een uitkering terwijl hij daar geen recht op heeft, dan wordt de aanvraag voor de uitkering vervalst. De mogelijkheden zijn oneindig groot, het hangt af van het motief van de verdachte.
In tegenstelling tot oplichting is het niet het doel van de verdachte om alleen valsheid in geschrift te plegen (het is geen einddoel). Het wordt gepleegd om een ander doel te bereiken. Je vervalst geen curriculum vitae om de vervalsing. Je vervalst het curriculum vitae om de potentiële werkgever te misleiden en daardoor aangenomen te worden in een functie die anders niet zou zijn verkregen. Zo vervals je de aanvraag voor het verkrijgen van een uitkering om daardoor ten onrechte een uitkering te krijgen. valsheid in geschrift is dan ook een faciliterende (dienende) fraudevorm.

Er kan op meerdere manieren valsheid in geschrift worden gepleegd:
● een geschrift kan geheel valselijk worden opgemaakt (vals contact, valse factuur);
● een bestaand geschrift kan worden vervalst (een extra nul op een acceptgirokaart plaatsen achter het bedrag, het plaatsen ● ● van een vervalste handtekening onder een contract, het vervalsen van officiële stempels).

Bij vervalsen maakt de vervalser inbreuk op de originaliteit van het geschrift. Vervalsen is dan ook aan te merken als intellectuele valsheid. Het is wel van belang dat het gaat om een geschrift dat dient ter enig bewijs. Zo is het vervalsen van een boodschappenlijst niet strafbaar.

Rechtsschending
Valsheid in geschrift is uitgewerkt in artikel 225 Sr. Als faciliterend misdrijf speelt dit artikel een rol in bijna alle bijzondere fraudevormen. Voor ambtenaren is een specifieke vorm van valsheid in geschrift strafbaar gesteld; deze wordt ook in dit hoofdstuk behandeld: het vervalsen van boeken of registers (artikel 360 Sr).

Vormen van valsheden die bij andere fraudevormen uitgewerkt worden zijn:
● het vervalsen van akten (artikel 226 en artikel 227 Sr);
● het vervalsen van reisdocumenten (artikel 231 Sr);
● het nalaten te informeren (artikel 227a, 227b, 447c en 447d Sr).

Er zijn valsheidsartikelen die nauwelijks in de jurisprudentie voorkomen en dan ook niet verder behandeld worden:
● het vervalsen van een wettig bevel (artikel 193 Sr);
● het vervalsen van medische verklaringen (artikel 228 en artikel 229 Sr);
● het vervalsen van een getuigschrift (artikel 230 Sr).

Tendenties

Bij valsheid in geschrift is de tendentie dat een werkelijkheid op papier gezet wordt (opmaken) of aangepast wordt (vervalsen) die niet overeenstemt met de werkelijkheid.

Onderzoek
De aangever zal duidelijk maken welk stuk vervalst is en waar dat ver­moeden op is gebaseerd. Het hangt van de reden van het plegen van de valsheid in geschrift af hoe het bewijs vergaard kan worden. Zo kan de opsporingsambtenaar genoodzaakt zijn om het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in te schakelen. Het NFI kan handschrift- en documentonderzoek uitvoeren om na te gaan of de handtekening, het handschrift of het papier waarop het is afgedrukt overeenstemt met de werkelijkheid zoals die behoort te zijn.
Dit type onderzoek kan zijn meerwaarde bewijzen als het gaat om vervalste contracten. Maar bij veel fraudevormen is de handtekening wel echt, maar klopt de inhoud van de tekst niet met de werkelijkheid. Zo is bij uitkeringsfraude of hypotheekfraude niet de handtekening vervalst, maar worden onjuiste gegevens opgevoerd. In dat geval richt het onderzoek zich niet op het document, maar op de inhoud. Tenzij natuurlijk de verdachte ontkent de handtekening te hebben geplaatst, dan is ook de handtekening object van onderzoek.

Als technisch onderzoek wordt uitgevoerd, dan maakt het uit of het handschriftonderzoek zich richt op de verdachte of een getuige of een slachtoffer. Een getuige of slachtoffer zal willen meewerken aan het onderzoek. De verdachte zal de medewerking vaak vertalen door het handschriftonderzoek te manipuleren. Hij zal een ander handschrift voorwenden. Afhankelijk van hoe succesvol het is, tast het al snel de bewijswaarde aan.
Dit wordt treffend weergegeven door de volgende zaak. Er werd niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte de handtekening van zijn toenmalige partner valselijk onder een kredietovereenkomst had geplaatst. Het NFI heeft een vergelijkend onderzoek gedaan naar de betwiste hand­tekening en door middel van een schrijfproef verkregen handtekeningen van aangeefster. Afgezien van het onmiskenbare voorbehoud dat door het NFI is gemaakt, is er ook geen wettig bewijs voor de aanname dat de betwiste handtekening van de verdachte afkomstig is.

De opsporingsambtenaar kan zijn onderzoek ook richten op de printer waarmee het vervalste stuk is geprint of de computer waarmee het stuk is opgemaakt. In het geheugen kan nog informatie zijn opgeslagen. Ook kan gezocht worden naar de pen waarmee de handtekening is geplaatst (als het bijvoorbeeld specifieke inkt is). Om dat mogelijk te maken zullen goederen in beslag genomen moeten worden, hetgeen betekent dat de woonruimte van de verdachte doorzocht zal moeten worden.

Als de inhoud en niet het geschrift sec het object van onderzoek is, dan dient het onderzoek zich te richten op hetgeen beweerd wordt in het vermoede­lijke valse stuk. Als de verdachte stelt dat hij volgens het contract 100.000 euro heeft ontvangen, dan richt het onderzoek zich op degene die dat geld zou hebben uitgeleend. Kan die uitlener over 100.000 euro beschikken? Hoe is dat geld overgeboekt? Van wie heeft de uitlener het geld? Heeft hij dat geld ook bij de Belastingdienst opgegeven? Vaak leidt nader onderzoek naar de uitlener tot de vaststelling dat het stuk inderdaad valselijk is opgemaakt en kan niet zelden die ander voor medeplegen of medeplichtigheid vervolgd worden.

Strafrecht

Artikel 225 Sr

Artikel 225 Sr
1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruikmaakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik. (…)


Generalis-specialis verhouding
De reden dat artikel 225 Sr zo succesvol is om fraude mee te bestrijden is omdat een generalis-specialisverhouding tussen artikel 225 Sr en andere artikelen ontbreekt. Dit geldt zowel voor soortgelijke artikelen in het Wet­boek van Strafrecht4 alsook voor soortgelijke artikelen in andere wetten.5 Dat betekent dat de officier van justitie voor nagenoeg elke vorm van vals­heid kan kiezen om te vervolgen voor schending van artikel 225 Sr. Zo mag een vervalste balans vervolgd worden op grond van artikel 336 Sr, maar kan ook vervolgd worden op grond van artikel 225 Sr.
Een duidelijke uitzondering op voorgaande is artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). In het vierde lid is bepaalt dat als de vervalste administratie valt onder artikel 69, lid 1 of 2, Awr en onder artikel 225, lid 2, Sr dat dan vervolging op grond van artikel 225, lid 2, Sr is uitgesloten. Het hof heeft dat bevestigd; vervolging moet dan op basis van de AWR.

Bestanddeel ‘geschrift’
Het moet gaan om een geschrift dat vervalst wordt. Dit begrip is aangepast aan de moderne tijden; zo kunnen computerbestanden ook valselijk opge­maakt worden of vervalst.
Maar dat betekent niet dat alles als een geschrift kan worden aangemerkt. Zo is een chassisnummer een merkteken en geen geschrift.

Bestanddeel ‘bewijs van enig feit’
Een ander bestanddeel waaraan voldoen moet zijn, is dat het moet dienen ter bewijs van enig feit. Dit betreft een aanzienlijke verruiming. Vroeger ging het om het bestaan van enig voorschrift waaraan de bestemming werd toege­kend.9 Dit werd verruimd door bewijsbestemming ook aanwezig te achten als in het rechtsverkeer deze betekenis eraan werd toegekend.10 De term rechtsver­keer werd later verruimd naar maatschappelijk verkeer.11 Thans gaat het alleen nog om het begrip ‘enig feit’. Dit feit moet een juridisch relevant feit zijn. Dat is het vervalsen van een boodschappenlijstje niet.

De Hoge Raad heeft aan vele geschriften bewijsbestemming gegeven: een kasboek, de bedrijfsadministratie, een handtekeningkaart, een stempel, een giro­betaalkaart, een eurocheque, een aanvraagformulier rijbewijs, een factuur, een aanvraagformulier voor een uitkering, een offerte, een staat van ontvangsten en uitgaven, een werkinstructie, een kleurenkopie van het rijbe­wijs, het ondertekenen van een delivery sheet met een valse naam.
Maar niet alles heeft een bewijsbestemming: foto’s, tekeningen, schilderijen hebben geen bewijsbestemming, tenzij ze deel uitmaken van een geschrift. Ook legal opinions ontberen bewijsbestemming. De Hoge Raad stelt dat ook prospectussen of brochures waarin in strijd met de waarheid is vermeld dat de activiteiten van vereniging X worden gecontroleerd door de stichting Y met een onafhankelijk bestuur, niet worden kunnen worden aangemerkt als een geschrift met bewijsbestemming.

Bestanddeel ‘valselijk opmaakt of vervalst’

Het geschrift moet valselijk opgemaakt zijn of vervalst. Het valselijk opmaken kan op twee manieren plaatsvinden:
Het opmaken van een geschrift dat niet de waarheid bevat (intellectuele valsheid). Bijvoorbeeld het onbevoegd invullen van een geldbedrag op een ondertekende girobetaalkaart.
Het onbevoegd opmaken van een geschrift, voorwendende dat men de bevoegde is (materiële valsheid). Bijvoorbeeld door het plaatsen van een valse handtekening.

Waarom is het plaatsen van een valse handtekening of een valse naam onder een echt geschrift valsheid in geschrift? Omdat door deze handeling een onjuist beeld ontstaat over de identiteit van degene die dat geschrift heeft opgesteld. Het maakt daarbij niet uit of de aanwezigheid van de handtekening op zich niet rechtens relevant is.

Het vervalsen van een geschrift kan op drie manieren geschieden:
1. Door een gedeelte van de tekst te verwijderen.
2. Door iets in de tekst te wijzigen.
3. Door iets aan de tekst toe te voegen.

Dit betekent dat fotokopieën van originelen ook vervalsingen kunnen zijn als de kopieën gewijzigd worden en wordt gedaan alsof de kopieën conform het origineel zijn.

Het opzettelijk niet invullen kan ook valsheid in geschrift zijn. Voorbeelden:
● het oningevuld laten van een multiple choice vraag;
● het opzettelijk niet invullen en/of ondertekenen van de belastingaangifte;
● het niet invullen van vragen op een uitkeringsformulier.

De vraag of een geschrift valselijk is opgemaakt dient te worden beoordeeld naar het tijdstip van het opmaken. Als het toen onwaar was, is het niet van belang dat de inhoud wel overeenstemt met de toestand die enkele uren later bestond.24

Bestanddeel ‘oogmerk’
Voor het plegen van valsheid in geschrift is voorwaardelijk opzet niet voldoende, het moet gaan om oogmerk (de zwaardere vorm van opzet).
Het is niet nodig dat het geschrift daadwerkelijk is gebruikt, het oogmerk op het gebruik volstaat. Daar richt het oogmerk zich ook op: niet op de valsheid, maar om het gebruik van het (ver)vals(t)e geschrift.

Bestanddeel ‘gebruikmaken’
Dit bestanddeel komt voor in zowel het eerste als tweede lid van artikel 225 Sr. Voor de strafbaarstelling van het eerste lid is het een misvatting te denken dat enig gebruik van het geschrift nodig is. Het enkel valselijk opmaken of vervalsen van een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift met bedoeld oogmerk is voldoende om die gedraging als valsheid in geschrift aan te merken.
Voor de strafbaarstelling op grond van het tweede lid is vereist dat het (ver) vals(t)e geschrift als middel tot misleiding tegenover derden wordt gebruikt. Dus het opnemen van valse facturen in de eigen administratie is niet straf­baar ex artikel 225 lid 2 Sr.

Dit betekent dat het falsificeren van de boekhouding sec niet strafbaar is onder het tweede lid. Dit betekent niet dat valse stukken in de boekhouding niet vervolgd kunnen worden. De Hoge Raad heeft immers bewijsbestemming gegeven aan een vervalste boekhouding. Dit betekent dat bij een vervalste administratie (die niet is gebruikt tegenover derden) vervolging mogelijk is voor het eerste lid, voor het voorhanden hebben.
Voor het tweede lid kan vervolgd worden als de valse stukken in de boekhouding ter beschikking zijn gesteld aan controleambtenaren. Hierbij maakt het niet uit dat de ambtenaren vroegen om de stukken.

Onderzoeksplicht

Een verweer dat verdachten voeren bij dit delict (alsook bij oplichting) is dat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer. Als die beter had gecontroleerd (nabellen bij de vorige werkgever om zodoende vast te stellen dat de verdachte er nooit gewerkt heeft), dan was het allemaal niet gebeurd. Hierbij wordt elke keer voorbijgegaan aan het feit dat de verdachte nu juist een valse werkelijkheid schept om de ander te bedriegen. Hoe kan daar het slachtoffer verantwoordelijk voor worden gehouden? Ook al is het verstandig om niet te veel te vertrouwen en eerder te controleren.
Zo werd in een hypotheekfraudezaak geoordeeld dat het correct is dat geldverstrekkers een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het beoordelen van verkregen hypotheekaanvragen. Maar dat betekent niet dat de verdachte niet strafbaar zou zijn. Degene die een hypothecaire geldlening aanvraagt, dient daarbij juiste en volledige informatie te verstrekken en niet valse documenten te verstrekken met het doel te misleiden. Hierdoor is telkens een totaal ander en op dat moment niet tot zeer moeilijk te controleren beeld van de werkelijkheid aan de hypotheekverstrekker voorgehouden. En dat is strafbaar als valsheid in geschrift.

Voorbeelden van valsheid in geschrift:
● Een verdachte heeft personenauto's witgewassen door deze auto’s met valse documenten te verkopen en in te ruilen tegen legale auto’s. Volgt veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een geldboete. In verband met de schending van de redelijke termijn wordt de helft van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd.
● Een verdachte heeft op de factuur minder arbeidsuren vermeld dan werkelijk verricht zijn. Dit moest verhullen dat aan verdachte gunsten werden verleend waardoor de bedrijven een betere concurrentiepositie werd verschaft bij de inschrijving op projecten. Volgt een gevangenisstraf van 28 maanden.
● Een verdachte heeft zich in zijn functie van boekhouder shuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie door daarin valse facturen op te nemen. Volgt een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
● Een verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van documenten behorende bij tien zeevisreizen. Deze documenten hadden betrekking op de aanvoer, veiling en verkoop van zeevis waarvoor een vangstbeperking gold. Volgt een geldboete van 97.500 euro waarvan 25.000 euro voorwaardelijk.
● Een verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift. Door geen nader onderzoek te doen, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verkoopfacturen op naam van personen werden gesteld die niet de werkelijke kopers van de horloges waren. Volgt veroordeling tot een taakstraf van 171 uren.

Artikel 360 Sr


Artikel 360 Sr
De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie, valselijk opmaakt of vervalst, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.


Dit artikel stelt het strafbaar als een ambtenaar boeken of registers valselijk opmaakt of vervalst. Hierbij is vereist dat de boeken of registers uitsluitend bestemd zijn voor controle van de administratie. Bij dit delict kun je denken aan een postagent die valse stortingsstaten opmaakt van de geldbedragen die werden gestort op girorekeningen.

De uitsluitendheideis stelt artikel 225 Sr niet. Daar is vereist dat het gaat om geschriften die dienen ter bewijs van enig feit. Dit betekent dat als de boeken geen bewijsbestemming hebben zoals bedoeld in artikel 225 Sr, deze geacht moeten worden uitsluitend bestemd te zijn tot controle van de administratie in de zin van artikel 360 Sr.
Het is niet relevant of het register ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, zoals het maken van afschriften of uittreksels. Voor de toepasselijkheid van artikel 360 Sr is vereist dat een register uitsluitend bestemd is tot controle van de administratie. Dat betekent niet dat die bestemming inhoudt uitsluitend te zijn, omdat het register ook gebruikt kan worden voor andere doeleinden dan waartoe het bestemd is.
Uit het voorgaande kan afgeleid worden dat artikel 360 Sr is bedoeld als aanvulling voor gevallen waarin artikel 225 Sr niet van toepassing is.

Wat valt dan niet onder boeken en registers? Een balans, alsook onderhandse boeken of registers die een ambtenaar heeft aangelegd tot controle van zichzelf. De bestemming moet aan de boeken of het register zijn gegeven door degene die controleert of degene die bevoegd is ten aanzien van de controle voorschriften vast te stellen.
Er kunnen vervalste of valselijk opgemaakte boeken of registers zijn die op beide delicten van toepassing zijn. In dat geval gaat het zwaardere delict voor het ambtsdelict. Zo dienen betaalrollen van een kasregister niet uitsluitend tot controle van de gemeentelijke administratie, maar zijn het ook bewijsmiddelen van de aan de belanghebbende gedane betalingen. Dit betekent dat artikel 225 Sr van toepassing is en niet artikel 360 Sr.