Witwassen

Modus operandi

Witwassen is volgens het woordenboek van Dale iets illegaals legaliseren c.q. zwart geld witwassen door het in het normale geldverkeer te brengen. In de kern is dat juist, maar juridisch is het niet voldoende. Zo kan het voor­handen hebben van gelden uit enig misdrijf ook witwassen zijn. Het zwarte geld hoeft dus nog niet omgezet te zijn in een investering of belegging.
Witwassen vindt in vier fasen plaats:
1. het plaatsen van het criminele geld;
2. het versluieren van het criminele geld;
3. het rechtvaardigen van het criminele geld;
4. het besteden van het criminele geld.

Hoe vinden de versluiering/rechtvaardiging plaats? In het
Report on Money Laundering worden de volgende typologieën van witwassen gegeven:
● Drugsorganisaties wisselen bij geldwisselkantoren vaak grote bedragen in buitenlandse valuta tegen Nederlands geld. Uitvoering hiervan geschiedt door katvangers. De aanbieders krijgen vaak erg nadelige wisselcondities.
● Criminelen maken gebruik van front stores (dekmantelorganisaties). Deze is vaak in het buitenland gevestigd. Vervolgens wordt geld over en weer geboekt. Bedragen staan niet in verhouding tot werkzaamheden van dekmantel.
● Ook wordt gebruik gemaakt van rondpompen van geld zonder dekmantelorganisaties. Geld gaat van de ene rekening naar de ander en wordt tussentijds contant opgenomen om de moneytrail te verhullen.

Voormelde constructies worden vooral door de georganiseerde criminaliteit gebruikt. Bij de reguliere criminelen gaat het om eenvoudiger constructies:
● Het opvoeren van valse leningsovereenkomsten die de toename in contant geld moeten verklaren bij de verdachte. Het gaat hier bijna altijd om ‘leningen’ van familie of vrienden zonder reële aflossing van de lening, vaak ook zonder rentepercentage. Onderzoek naar het inkomen van deze vrienden maakt dan vaak duidelijk dat dit een constructie is.
● Het kopen van een schilderij waarbij een factuur voor een lager bedrag wordt opgemaakt. Als dan later voor de echte waarde het schilderij wordt doorverkocht is de verkoopwinst witgewassen.
● Het kopen van een winnende staatsloten kopen voor (stel) 120% van de prijs die de Staatloterij uitkeert. Via advertenties worden deze winnende loten gevraagd. De crimineel laat de prijs dan aan hem uitkeren, waardoor het lijkt alsof hij voor 25 euro 1 miljoen heeft gewonnen. Dit terwijl hij in werkelijkheid 1,2 miljoen heeft betaald. Dat kost hem wel 200.000 euro, maar daardoor is 1 miljoen witgewassen.
● Het kopen van een dienstbetrekking. De verdachte betaalt dan het brutoloon van de fictieve dienstbetrekking aan de facilitator. Die betaalt daar belastingen over en stort het nettoloon terug aan de verdachte. Hierdoor is het geld witgewassen. Zie voor meer informatie de fraudevorm hypotheekfraude.

Rechtsschending
De witwasartikelen zijn per 14 december 2001 in werking getreden naar aanleiding van internationale verdragen ter bestrijding van witwassen. Bewezenverklaarde gedragingen gepleegd voor die datum zijn niet strafbaar, maar dat betekent niet dat het onderliggende misdrijf niet voor 14-12-2001 mag zijn gepleegd.

Bij witwassen kan het gaan om opzetwitwassen (artikel 420bis Sr), gewoontewitwassen (artikel 420ter Sr) en schuldwitwassen (artikel 420quater Sr).

Tendenties
De tendentie is dat de crimineel het geld of goed een schone herkomst wil geven.

Onderzoek

De witwasser

De opsporingsambtenaar bepaalt de inkomens- en vermogenspositie van de verdachte. Dat betekent het opvragen van:
● de belastinggegevens bij de Belastingdienst;
● de uitkeringsgegevens bij het UWV of gemeenten;
● de bankafschriften en/of hypotheekgegevens bij de banken;
● de eigendom- en hypotheekgegevens van het Kadaster;
● de bestuurdersgegevens van de Kamer van Koophandel (Handels­register);
● de kentekengegevens van de RDW;
● de ongebruikelijke transacties uit het MOT-register;
● de NIBUD-normgegevens inkomen en uitgaven.

De belastinggegevens geven het formele inkomen en vermogen weer van de verdachte zoals hij zich in de maatschappij presenteert. Dit kan een fictieve dienstbetrekking zijn, een uitkering, een fictieve onderneming. Wat het ook is, het is hetgeen waarvan onderzocht wordt of het ook overeenstemt met de werkelijkheid.
Een belangrijk onderzoeksmiddel voor witwassen is de doorzoeking van de woning van de verdachte.
Al deze gegevens worden in een kasopstelling opgevoerd (zie het boek Afpakken & ontnemen). Hieruit blijkt of verdachte beschikt over onverklaarbaar – witgewassen – vermogen.

De facilitator
De facilitator is iemand die een witwasconstructie aanbiedt aan de witwas­ser. Dat kan het aanbieden van een fictieve dienstbetrekking in een fictieve onderneming zijn.

De opsporingsambtenaar zal in zo’n geval de bedrijfs- en woonruimte van de facilitator doorzoeken op:
● bewijs van werknemerschap (arbeidscontracten werknemers, perso­neels­dossiers, vakantie- en verlofurenkaarten, urenregistraties, agenda’s, computers);
● bewijs van betalingen en ontvangsten (bankgegevens, kasboek, groot­boek, jaarrekening, facturen, kwitanties);
● bewijs van bestaan van het bedrijf (voorraad, inventaris, productie­middelen, openingstijden, stroom- en wateraansluiting).

Vanuit deze gegevens kan bepaald worden of sprake is van een echt of een fictief dienstverband.

Toetsingskader
Bij witwassen kan het zeer eenvoudig zijn om het onderliggend misdrijf te bewijzen, maar het kan ook zeer moeilijk, zo niet onmogelijk zijn.
Als een dief een pc steelt, dan is het voordeel de pc. In dit geval bestaat een zeer duidelijk verband tussen het witwassen van de pc en het brondelict. Het onderzoek, en dus de bewijsgaring, zal zich richten op de diefstal en het ver­volgens witwassen van de pc. De vervolging kan dan betrekking hebben op het stelen en/of het witwassen.
Maar zelden is een witwaszaak zo eenvoudig. Het komt vaker voor dat iemand zonder inkomen of met een sociale uitkering ineens beschikt over een dure auto, een mooi huis en veel geld op de bankrekening. Waar is dan het brondelict? Hoe kan het onderliggende misdrijf van witwassen bewezen worden? Dit laatste is mogelijk: ook al kan op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband worden gelegd met een bepaald misdrijf, dan kan witwassen alsnog bewezen worden geacht indien op grond van de vast­gestelde feiten en omstandigheden het “niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is”. Het is dan wel aan het openbaar ministerie bewijs te vergaren waaruit deze feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Het gerechtshof Amsterdam heeft een toetsingskader ontwikkeld voor wit­waszaken waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is. Hiervoor dienen vier vragen beantwoord te worden om aan te tonen of sprake is van witwassen:

1. De rechter moet vaststellen of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een
gerechtvaardigd vermoeden van witwassen . Als dat niet het geval is, dan is geen sprake van witwassen.

Uit onderzoek komt naar voren dat de verdachte een bedrag van 22.747 euro aan contante uitgaven (contante stortingen, Rolex horloge en een scooter) heeft verricht en dat 8.000 euro in contanten bij hem thuis is aangetroffen. Na verrekening met contante opnamen van 4.829 euro resteert een 25.918 euro aan (nog niet) verant­woorde uitgaven. Uit onderzoek van de belastinggegevens blijkt een loon van 378 euro in 2010, 378 euro in 2011 en 295 euro in 2012. Hier kwam nog een bedrag voor studiebeurs bij (in 2011 191 euro en in 2012 3.605 euro). Het bedrag van 25.918 euro is niet te verklaren uit de legale inkomens- en vermogenspositie van de verdachte. Aldus is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

2. In geval van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen mag van de verdachte verlangd worden dat hij een
verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp (geld, goed of recht). Deze verklaring dient concreet en min of meer verifieerbaar te zijn. Het mag niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Met andere woorden, de verdachte dient een finan­cieel alibi te verschaffen.

In voormeld voorbeeld heeft de verdachte (pas voor het eerst op zitting, niet bij de politie) gesteld dat de contante uitgaven en aangetroffen gelden afkomstig zijn van zijn handel in schadescooters. Voor de aankoop van zo’n scooter zou hij eerst geld pinnen om na de verkoop van de gerepareerde scooter het daarvoor ontvangen contante geldbedrag weer op zijn rekening te storten. Dit verklaart dan ook de contante stortingen en uitgaven, aldus de gegeven verklaring.

3. Na het geven van een verklaring is het aan de rechter om te
beoordelen of de verklaring geloofwaardig is . Dit hangt af van de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen. Is de verdachte pas in een laat stadium gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet? Of heeft de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking geboden?

In voormeld voorbeeld is de rechter van oordeel dat de gegeven verklaring onvol­doende concreet en verifieerbaar is nu de verdachte zijn stellingen niet onderbouwt. Over de aangetroffen Vespa Piaggio blijft verdachte zich in stilzwijgen hullen. Bij de doorzoeking zijn Rolex horloges aangetroffen. De getaxeerde waarde van de juwelier bedraagt 11.050 euro. Verdachte geeft pas in hoger beroep ter zitting een verklaring. Hij en zijn broer hebben ieder een Rolex horloge gekocht met geld uit de erfenis van zijn vader. Dit is echter niet met stukken onderbouwd, zodat deze verklaring niet aannemelijk is. Op grond van het voorgaande is de legale herkomst niet aannemelijk geworden. Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat de ten laste gelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wetenschap had. Hiermee is witwassen bewezen.


4. Als de verstrekte verklaring voldoende tegenwicht voor het vermoeden van witwassen biedt, is het vervolgens aan het openbaar ministerie om
nader onderzoek in te stellen naar de alternatieve herkomst van het vermogen. Met andere woorden, aan het openbaar ministerie is de taak toegedaan om het financieel alibi van de verdachte te verifiëren dan wel te falsificeren.
Uit de resultaten van zo’n onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
In de jurisprudentie van het gerechtshof Amsterdam wordt deze stap als vierde stap weergegeven, maar feitelijk hoort het ook bij de derde stap. Immers, als de rechter de verklaring van de verdachte beoordeelt, dan moeten de bevindingen van een eventueel aanvullend onderzoek van het openbaar ministerie al binnen zijn, anders kan de rechter alleen de verklaring van verdachte beoordelen. Soms is de verklaring zo onwaar­schijnlijk dat nader onderzoek niet nodig is maar in het geval dat dat niet zo is, dient nader onderzoek ingesteld te worden en moet de rechter de bevindingen daarvan betrekken in diens oordeel.

Zo was in voormelde casus van de scooter en de horloges een verklaring gegeven over de (initiële) onderzoeksbevindingen van het openbaar ministerie die zo on­waarschijnlijk was dat nader onderzoek door het openbaar ministerie naar die aanvullend verklaring niet nodig was. De rechter vond de verklaring niet aannemelijk. Bovendien was nader onderzoek ook niet goed mogelijk: de verdachte bleef bijvoorbeeld over de scooter zwijgen.

Een voorbeeld waarbij wel nader onderzoek is gedaan, is het volgende. In een wit­waszaak was een vermoeden van witwassen omdat verdachte op meerdere momen­ten grote geldbedragen heeft ontvangen op zijn bankrekeningen via stortingen uit het buitenland. Dit was opmerkelijk, gelet op zijn inkomenspositie. Van deze grote bedragen heeft hij in korte periode het grootste deel contant opgenomen (tweemaal in een casino). Bij de verdachte zijn negen bankpassen aangetroffen.
De verdachte heeft daarover verklaard dat hij die nodig heeft voor zijn bedrijf, maar met de bankpassen zijn geen transacties ten behoeve van zijn bedrijf gepleegd. De rechter stelt dan ook dat op grond van dit vermoeden van witwassen van de ver­dachte een verklaring gevraagd mag worden. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn bankpas ter beschikking heeft gesteld aan x, zodat deze geld kon storten op de bij de pas behorende rekening. Het betrof volgens de verdachte een vriendendienst.
Het openbaar ministerie heeft aanvullend onderzoek gedaan naar deze persoon x. De persoon kon niet worden getraceerd. Ook heeft het openbaar ministerie onder­zoek gedaan naar de rekeningen van waaraf de bedragen naar de verdachte zijn overgemaakt. Daarbij heeft het alleen zogenoemde moneyhouses kunnen traceren en geen concrete personen.
Nu de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet kan worden aangemerkt als een plausibele, verifieerbare verklaring over de legale herkomst van de geld­bedragen, is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geld­bedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.


Samengevat betekent dit dat de initiële bewijslast van witwassen (net als bij enig ander delict) bij het openbaar ministerie ligt. Maar als hieraan is voldaan, dan is het aan de verdachte om een verklaring te geven voor de gestelde feiten en omstandigheden. Kan hij dit niet, dan is witwassen een gegeven. Kan hij dit wel, dan zal het openbaar ministerie deze verklaring moeten verifiëren of falsificeren. Kan de verklaring vervolgens niet ontkracht worden, dan is geen bewijs van witwassen voorhanden.

Elk van de vier stappen wordt in het boek Witwassen nader uitgewerkt.

Strafrecht

Artikel 420bis Sr


Artikel 420bis Sr
1.Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.
2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.


Onderdeel a is de klassieke witwasvariant: een drugsdealer heeft een dure auto en heeft deze op naam laten stellen van een stroman/katvanger. Op deze wijze wordt via de registratie bij de RDW verhuld dat een ander dan de tenaamgestelde feitelijk rechthebbende van de auto is.

Onderdeel b is een strafbaarstelling die dicht tegen begunstiging/heling aan ligt. Het verschil tussen witwassen en heling is dat bij heling het begun­stigende karakter voorop staat (het profiteren van andermans misdrijven), terwijl bij witwassen het gaat om de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en de bedreiging van de openbare orde.6 Daarom is witwassen in titel XXA opgenomen en niet onder titel XXX (begunstiging).
Een ander verschil tussen de strafartikelen is de toepassing van de ‘heler-steler’-regel. Deze regel houdt in dat de heler niet ook de dief kan zijn: of je steelt het goed, of je heelt het goed. In de memorie van toelichting bij de bepaling van witwassen heeft de wetgever opgemerkt dat de heler-steler regel niet van toepassing is op witwassen. Dit betekent dat als de witwasser zelf het onderliggende misdrijf heeft gepleegd, dat er nog steeds sprake kan zijn van witwassen, aldus de Hoge Raad. Duidelijk is geworden dat de Hoge Raad dit standpunt inmiddels nuanceert en de heler-steler regel in bijzondere gevallen ook bij witwassen toepast. Dit zal bij behandeling van het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ nader toegelicht worden.

Plaats delict

Waar wordt witwassen gepleegd? Dit is relevant voor de bevoegdheid om te mogen vervolgen. Normaal is de locatie duidelijk: daar waar het delict wordt gepleegd. Echter de delictlocatie werd onduidelijk toen het ging om een bankrekening waarop crimineel geld was gestort. Is de delictplaats dan waar het geld gestort wordt op de bankrekening? Of de plek waar van bank staat die de rekening beheert? Of de plek waar de verdachte woont?
De Hoge Raad oordeelde dat de woonplaats van de verdachte de delictplaats is omdat de verdachte uit zijn woonplaats het beheer voert over de banksaldi. Het gaat bij banksaldi niet alleen om de storting van het geld, maar ook om gedragingen waardoor plaatsing van die saldi op een zodanige rekening voortduurt. Dus het beheren met de computer van je bankrekening levert ook een delictplaats op. Namelijk die van de plaats waar de computer staat.

Bestanddeel ‘voorwerp’

De verdachte moet een voorwerp verhullen, verwerven, omzetten, enzovoort, wil sprake kunnen zijn van witwassen. Wat wordt onder voorwerp verstaan?
Het derde lid van artikel 420bis Sr verstaat onder voorwerpen alle zaken en vermogensrechten. Vanuit het Burgerlijk Wetboek kunnen deze begrippen nader geduid worden:
Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zoals geld, goederen (artikel 3: 2 BW).
Vermogensrechten zijn rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel (artikel 3: 6 BW).

Wil sprake kunnen zijn van witwassen, dan moet een voorwerp waarde hebben. Dat betekent niet dat voor een ieder het voorwerp waarde moet hebben. Voldoende is dat de gebruiker er waarde aan toekent. Een voorbeeld: vals geld is objectief bezien waardeloos. Echter omdat de verdachten valse Bahreinse dinars op de zwarte markt in Egypte hadden gekocht om in Nederland om te wisselen, was het voor hun niet waardeloos. En dan is er dus wel sprake van witwassen.

Bestanddeel ‘verbergen/verhullen’

De voorwerpen kunnen verborgen of verhuld worden. De wetgever heeft met deze termen doelgerichtheid willen geven: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats (enzovoort) van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Bij een enkele handeling zal niet van zo’n doelgerichtheid gesproken worden. Het gaat dan ook meestal om een reeks van handelingen. Dit betekent niet dat een enkele handeling niet voldoende kan zijn, hoewel de wetgever dan stelt dat dan waarschijnlijk eerder sprake zal zijn van een van de gedragingen in onderdeel b van de artikelen 420bis en 420quater.
De term verhullen is nader ingevuld door de wetgever. Hiervan is sprake als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de legale herkomst en de rechthebbende vast te stellen.

Terecht stelt de wetgever dat in de praktijk verbergen en verhullen samen zullen vallen. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Ook kan de werkelijke aard van het voorwerp verborgen of verhuld worden. Bijvoorbeeld door de winst uit drugshandel te presenteren als winst uit een legale onderneming. Maar verbergen of verhullen kan ook betrekking hebben op degene die het voorwerp voorhanden heeft. Dus degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Immers de juridische rechthebbende is zaak wel duidelijk, maar het witwassen richt zich vaak op het verhullen van de feitelijke rechthebbende. Hier zijn termen als katvanger en stroman relevant.

Voorbeelden waarin verhullen/verbergen niet werd aangenomen:
● Het aantreffen van een plastic tas met geld in de auto.
● Het op verschillende plaatsen in het huis, alsook op zijn persoon contact geld aantreffen.

Bestanddeel ‘voorhanden hebben’
De verdachte kan strafbaar zijn als hij het voorwerp voorhanden heeft (zowel bij variant a als b). Nu geldt bij heling de zogeheten heler-steler regel: de heler is niet strafbaar als heler als hij zelf het goed gestolen heeft (hij is dan strafbaar als dief). De officier van justitie moet dus een keuze maken waarvoor hij vervolgd: diefstal in plaats van heling. De wetgever vindt dat bij witwassen deze keuze niet gemaakt hoeft te worden: witwassen behoort ook strafbaar te zijn wanneer het opbrengsten van eigen misdrijf betreft. Ook dan is sprake van een schending van de door de strafbaarstelling van witwassen beschermde rechtsgoederen (aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en van de openbare orde).
De Hoge Raad volgde dit standpunt van de wetgever: het sec voorhanden hebben (en niet ook verhullen, verbergen e.d.), kan voldoende zijn om dat gedrag als witwassen aan te merken. Zo bepaalde de Hoge Raad nog in 2013: Als een verdachte van medeverdachte hoort dat de auto die hij bestuurt gestolen is, terwijl hij daarna nog een minuut doorrijdt (en kentekenbewijs van auto bij zich heeft), dan heeft hij de gestolen auto ‘voorhanden’ in de zin van witwassen.

De Hoge Raad heeft inmiddels in een stroom van arresten vastgesteld dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf en dat niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, dat die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Dus niet in geval van variant a, maar van variant b lijkt een soort van heler-steler regel te zijn ingevoerd. De Hoge Raad wil niet dat de pleger van een misdrijf louter door het voorhanden hebben van het resultaat van dat misdrijf, ook automatisch witwassen pleegt. De Hoge Raad wil dat de officier van justitie vervolgt voor het onderliggende misdrijf en niet voor (het veel makkelijker te bewijzen) witwassen.

Voorbeelden waarin alleen sprake was van voorhanden hebben:
● Het geld dat voorhanden is is verkregen uit de eigen illegale handel in vuurwerk. Er is dus geen sprake van witwassen.
● Een politieambtenaar heeft tegen betaling vertrouwelijke gegevens verstrekt en heeft het daarvoor verkregen geld voorhanden. Omdat er geen bewijs is van verhullen of verbergen, is er geen sprake van witwassen.
● De verdachte heeft stapels kleding met labels en prijskaartjes eraan thuis liggen. Dit betekent dat de verdachte moest weten dat goederen uit enig misdrijf afkomstig waren, maar omdat het een door hem zelf gepleegd misdrijf betrof, mocht niet voor witwassen vervolgd worden.

Inmiddels staat voorgaande bekend als het kwalificatieverweer en is via tal van arresten nadere invulling gegeven hoe hiermee omgegaan kan worden. Dit wordt uitgebreid in het boek Witwassen nader uitgewerkt.

Bestanddeel ‘gebruikmaken’

Dit betreft het gebruikmaken van een voorwerp verkregen uit enig misdrijf. Hierbij gaat het om het aanwenden van het voorwerp ten behoeve van de witwasser zelf of ten behoeve van derden. De wetgever geeft als voorbeeld het kopen van een dure auto bij een normaal autobedrijf met crimineel geld.

Bestanddeel ‘overdragen’

Dit betreft het overdragen van een voorwerp verkregen uit enig misdrijf. De wetgever heeft voor dit bestanddeel (net als bij verwerven en voorhanden hebben) dezelfde betekenis toegekend als in de helingartikelen.
Het is voor een bewezenverklaring niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt. De feitelijke zeggenschap over het voorwerp wordt verondersteld.

Voorbeeld van overdragen:
De verdachten hadden geld uit misdrijf op bankrekeningen geboekt waartoe zij zich toegang konden verschaffen. Er werd geld overgeboekt, er werd geld contant opgenomen. Naast het verwerven en voorhanden hebben, is door het overboeken en opnemen van het geld ook sprake van het overdragen en omzetten. En dus van witwassen.

Bestanddeel ‘weten’
De verdachte moet weten dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf. De wetgever stelt dat weten een uitdrukking is van opzet. Hieronder valt ook het voorwaardelijk opzet: willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden dat men een voorwerp verbergt of een voorwerp verwerft (enzovoort) dat uit misdrijf afkomstig is.

Voorbeelden van het ontbreken van wetenschap:
● In een auto van de zoon lag een geldbundel. De sleutel van de auto lag in het huis van de vader. In dat huis lagen soortgelijke geldbundels. De auto stond op de oprit van het huis van de vader. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat de zoon op de hoogte is geweest van het in zijn auto aangetroffen geldbedrag.
● In een autokoffer wordt 33,1 kilogram hennep aangetroffen. De verdachte verklaarde dat hij de auto niet op zijn naam kon zetten vanwege een uitkering. Dit is niet voldoende om witwassen aan te nemen.

Bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’
Het voorwerp moet afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dit betekent dat niet bewezen hoeft te worden uit welk misdrijf het voorwerp afkomstig is. Als voorbeeld noemt de wetgever het storten van de opbrengsten verkregen uit verschillende criminele activiteiten (mensenhandel, afpersing, drugshandel) op een bankrekening. Dat geld is afkomstig uit enig misdrijf, ongeacht welke.
De Hoge Raad heeft dat verder ingevuld: uit de bewijsmiddelen hoeft niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar het onderliggende misdrijf concreet is begaan, noch dat het voorwerp uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf afkomstig is.

Er worden geen eisen gesteld aan het soort misdrijf waar het om moet gaan behalve dat het misdrijven moeten zijn en geen overtredingen:
● belastingfraude (valsheid in geschrift, verzwijging, oplichting) kan een misdrijf zijn in de zin van witwassen.
● uitkeringsfraude (valsheid in geschrift, verzwijging, oplichting) kan een misdrijf zijn in de zin van witwassen. De verzwegen inkomsten zijn dan niet inkomsten afkomstig uit enig misdrijf, maar de door dit handelen ten onrechte verstrekte uitkering is uit enig misdrijf afkomstig.

De wetgever heeft bepaald dat indien het voorwerp gedeeltelijk uit de opbrengst van een misdrijf is gefinancierd en gedeeltelijk uit ander, legaal geld, nog steeds kan worden gesproken over het mede uit enig misdrijf afkomstig zijn van het geld.

De Hoge Raad onderscheidt hierbij twee situaties:
1. Legaal vermogen dat is besmet doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging).
2. Vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van vervolgtransacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.

In voormelde situaties is het mogelijk dat na vermenging het gevormde vermogen niet meer kan worden geïndividualiseerd (tussen legaal en illegaal verkregen vermogen). Dit is afhankelijk van:
● De geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogens­bestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel.
● Het grote tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft.
● Het grote aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd.
● Het incidentele karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.

In een strafzaak betekende dat dat het van drugsmisdrijven afkomstige ver­mogen in het vermogen van een bv vloeide en daardoor vermengd raakte met het legale vermogen van de bv. Dit betekent dat het gehele vermogen van die bv besmet kan zijn, zodat het uit dat vermogen betaalde geld gedeeltelijk - middellijk of onmiddellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

Bestanddeel ‘middellijk of onmiddellijk’
Het voorwerp moet middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. De wetgever wilde hierdoor zowel de directe als indirecte opbrengsten uit enig misdrijf via witwassen strafbaar stellen.

Kan niet ander dan ...

Nu doen situaties zich voor waarin geen direct bewijs voor het onderliggende misdrijf (het brondelict) aanwezig is. Het lijkt in zo’n situatie hoogstwaar­schijnlijk dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, maar welke? De Hoge Raad heeft bepaald dat als op grond van de bewijsmiddelen geen recht­streeks verband kan worden gelegd met een bepaald misdrijf, dat witwassen alsnog bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden “niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.” Het is echter aan het openbaar ministerie om bewijs aan te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Als geen direct bewijs voor het bestaan van brondelicten aanwezig is, dan dient conform het toetsingkader witwassen gehandeld te worden. Nu kan de indruk ontstaan dat in het toetsingskader sprake is van verschuiving van bewijslast naar de verdachte, omdat hem toelichting gevraagd wordt. Dat is geenszins het geval. Als de vastgestelde feiten en omstan­digheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een plausibele verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Voorbeelden met voldoende bewijs dat het ‘niet anders kan dan ….’:
● Een omvangrijk geldbedrag wordt gevonden, verborgen onder de toiletpot van de caravan in de loods, tezamen met hennep en de verdachte gaf hiervoor geen verifieerbare verklaring voor de herkomst.
● De verdachte met partner hebben onvoldoende inkomen, maar beschik­ken desondanks over dure kleding, schoenen, zonnebrillen, auto.
● In de kluis van verdachte wordt 250.000 euro in verschillende coupures aangetroffen.
● Bij verdacht wordt onder een schort 88.500 euro aangetroffen. Hij ver­klaart dit te hebben gespaard, maar wisselt in zijn verklaringen.

Een voorbeeld waarin sprake was van onvoldoende bewijs dat het ‘niet anders kan dan ….’, is de volgende:
● In de slaapkamer van verdachte is in een washandje onder een broek op de verwarming een geldbedrag van 2.820 euro aangetroffen. De verdachte ontvangt een bijstands­uitkering. Hij verklaarde dat het geld geleend was om een schuld aan de douane te kunnen betalen.

Artikel 420ter Sr

Artikel 420ter Sr
Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.


Het verschil met artikel 420bis Sr is dat het bij dit artikel moet gaan om een gewoonte. Het bestanddeel gewoonte komt voor in meerdere artikelen (gewoonteoplichting, gewoonteheling) en vereist een herhaling van feiten waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt om het feit steeds weer te begaan.Herhaling van het plegen van het delict op zichzelf is nog geen gewoonte; er moet een verband bestaan tussen de verschillende feiten.
Het is niet vereist dat voor gewoontewitwassen de verdachte door actief handelen een gewoonte moet maken van witwassen. Van gewoonte kan sprake zijn indien de betrokken handelingen binnen een tijdsbestek van twee weken plaats vinden.

Voorbeeld van gewoontewitwassen:
Het op de eigen bankrekening storten van 255.000 euro, terwijl de rekening hiervoor aan negatief saldo had en de gestorte bedragen nauwelijks zijn teruggevonden. Dit wordt aangemerkt als gewoonte­witwassen omdat de handelingen erop gericht waren om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen.

Artikel 420quater Sr

Artikel 420quater Sr
1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.


Het verschil met artikel 420bis Sr is dat het bij dit artikel moet gaan om het redelijkerwijs vermoeden. Dit duidt op schuld. Dat houdt in grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid.63 Hiervan is sprake als de verdachte met enig nadenken had kunnen vermoeden dat het voorwerp gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen.

Voor toepassing van dit artikel hoeft uit de bewijsmiddelen niet te worden afgeleid door wie, wanneer en waar het achterliggende misdrijf concreet is begaan. Voor een veroordeling is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Voorbeeld van schuldwitwassen:
● De verdachte brengt tegen een beloning van een onbekende een zwaar beladen auto ergens naar toe. Hij heeft de lading niet onderzocht. De rechtbank stelt dat onderzoek van de lading duidelijk had gemaakt dat hij navigatiesystemen vervoerde en dat had hem redelijkerwijs kunnen duiden dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het nieuwe artikel eenvoudig witwassen

De wetswijziging
Per 1 januari 2017 zijn de nieuwe bepalingen inzake eenvoudig witwassen in werking getreden.

Artikel 420bis.1 Sr
Witwassen dat enkel bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf wordt als eenvoudig witwassen gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 420quater.1 Sr
Schuldwitwassen dat enkel bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf wordt als eenvoudig schuldwitwassen gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de vierde categorie.


De wetswijziging is een gevolg van het niet meer strafbaar zijn van witwas­sen in het geval van voorhanden hebben van een voorwerp uit een zelf gepleegd misdrijf (tenzij sprake is van verbergen of verhullen). Dergelijk handelen kan niet gekwalificeerd worden als witwassen.

Reden voor de nieuwe wetgeving was dat de kwalificatie-uitsluiting twee belangrijke onwenselijke gevolgen heeft gehad:
1. Het verwerven of voorhanden hebben van uit misdrijf afkomstige voor­werpen blijft straffeloos.
2. Daardoor is verbeurdverklaring van de voorwerpen niet meer mogelijk. Grote sommen misdaadgeld dreigden onaangetast te blijven, aldus de wetgever.

De wetgever erkent dat door de witwasser onder de nieuwe bepalingen nog geen handelingen zijn verricht die daadwerkelijk gericht zijn op het verbergen en verhullen van de criminele herkomst. Daarom is het strafmaximum aanzienlijk lager dan bij de andere witwasdelicten.
Daarnaast merkt de wetgever op dat het de bedoeling blijft om voor het gronddelict te kunnen vervolgen, daar waar dat mogelijk is. De lagere strafmaat voor het het eenvoudig witwassen ondersteunt dit uitgangspunt.
In de consultatieronde is een belangrijk punt naar voren gebracht: valt de nieuwe omschrijving niet onder de beperkende uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven? Nee: "Het mag duidelijk zijn dat het niet de bedoeling is dat aan genoemde begrippen voor de toepassing van de voorgestelde artikelen 420bis.1 en 420quater.1 Sr een dergelijke beperkende strafrechtelijke bete­kenis wordt gegeven. Beoogd wordt een (aanvullende) strafbaarstelling van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen uit zelf gepleegde misdrijven zonder dat (nog) sprake is van omstandigheden die wijzen op een gerichtheid op het verhullen of verbergen. Het feit dat de wetgever deze aanvullende strafbaarstellingen in het leven roept juist omdat het op grond van de jurisprudentie geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond niet mogelijk is strafrechtelijk op te treden, moet daarbij voor de rechter reden genoeg zijn ervan af te zien bedoelde gedragingen – ook al zouden zij als variant onder de bestaande strafbaarstellingen van witwassen zijn onder­gebracht – alsnog onder de reikwijdte van de uitsluitingsgrond te brengen."

In Nederland kennen wij geen constitutioneel hof. Het is met andere woorden de wetgever die de wet vaststelt en de rechter die de wet uitlegt. Om deze reden dient dus zeer voorzichtig omgegaan te worden met wetsextensieve interpretatie. De wetgever had al in de oorspronkelijke wet van 2001 opgenomen dat de heler-steler-regel niet van toepassing was. Nu is de wet gewijzigd en wordt wederom toegelicht dat witwassen van voorwerpen van enig eigen misdrijf strafbaar is. Of zoals de wetgever stelt: "De regeling strekt tot herinvoering van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van witwas­handelingen die eerder reeds onder de strafwet vielen."

Bestanddelen

Verwerven en voorhanden hebben
Voor de strafbaarstelling is het enkele verwerven of voorhanden hebben vol­doende; (nog) geen sprake dient te zijn van omstandigheden die wijzen op een gerichtheid op het verbergen of verhullen. Zij kunnen het rechtstreekse gevolg van het grondmisdrijf zijn.
De wetgever wijst erop dat het volgens de Hoge Raad niet uitgesloten is dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond ook van toepassing is bij andere witwashandelingen, zoals het overdragen, het gebruik maken of het omzetten als het gaat om een door een eigen misdrijf verkregen voorwerpen waarvan de omstandigheden soortgelijk zijn aan de uitsluiting die geldt voor het ver­werven of voorhanden hebben. Dit moet voorkomen dat de verdachte auto­matisch schuldig is aan (schuld) witwassen van die voorwerpen.
Dit betreft echter uitzonderingssituaties. Het openbaar ministerie dient wel waakzaam te zijn. Zodra de witwashandelingen rechtstreeks in het verlengde liggen van het door de verdachte gepleegde grondmisdrijf, ligt ook in die situaties tenlastelegging van één van de voorgestelde nieuwe strafbaarstel­lingen in de rede, aldus de wetgever.

Enig eigen misdrijf
Met ‘enig eigen misdrijf’ wordt bedoeld dat sprake moet zijn van een voor­werp waarvan aannemelijk is dat het onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.
De formulering sluit aan bij de oude wetgeving, zodat bestaande witwas­jurisprudentie ook voor deze bepaling geldt. Als voorbeeld wordt gewezen op de jurisprudentie dat niet hoeft te worden bewezen van welk specifiek misdrijf de voorwerpen die de verdachte verwerft of voorhanden heeft, afkomstig zijn.

Onmiddellijk misdrijf

Ging het onder de witwaswetgeving eerder om ‘onmiddellijk’ of ‘middellijk’, thans gaat het in het nieuwe delict alleen nog om ‘onmiddellijk’. Hierdoor wordt uitgesloten dat de nieuwe strafbaarstelling ook van toepassing is op de verdachte die een van misdrijf afkomstig voorwerp verwerft of voorhanden heeft dat na uitvoering van een aantal witwashandelingen weer bij hem terug is gekomen. In die tussenfase is sprake van verbergen of verhullen en dan is volgens de wetgever artikel 420bis, eerste lid, Sr van toepassing.

Dubbele bestraffing?
Het doel van de nieuwe wet is het voorkomen van straffeloosheid voor misdrijven die thans tussen wal en schip vallen. De wetgever merkt op dat het kan voorkomen dat sprake is van een bewijsbaar gronddelict en dat voor zowel het gronddelict als voor het eenvoudig witwassen wordt vervolgd.
Een dergelijke situatie dient te worden aangemerkt als een voortgezette handeling. Bij de straftoemeting wordt dan slechts één strafbepaling toege­past, te weten bij verschil van de op de feiten gestelde hoofdstraf, de straf­baarstelling die de zwaarste hoofdstraf kent (artikel 56 Sr).
Mocht de rechter evenwel bij gezamenlijke tenlastelegging aannemen dat sprake is van meerdaadse samenloop (artikel 57 Sr), dan ligt het in de rede dat bij het bepalen van de straf de bewezenverklaring van de witwashande­ling niet van invloed zal zijn op de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf, aldus de wetgever.